Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:9369
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,591 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.4741 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant] , opposant,
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
Inleiding
1. Opposant heeft tegen de beslissing van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: geopposeerde) van 7 februari 2023 beroep ingesteld.
1.1.
Bij uitspraak van 28 februari 2024 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.
1.2.
Opposant heeft op 10 april 2024 tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
1.3.
Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2024. Hieraan heeft de gemachtigde van geopposeerde (mr. Gizem) deelgenomen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Opposant stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1977. Geopposeerde heeft de asielaanvraag van opposant niet in behandeling genomen, omdat Polen verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat heeft de rechtbank in de bestreden uitspraak geoordeeld?
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat er volgens de rechtbank geen aanwijzingen zijn dat (in dit geval) ten aanzien van Polen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De algemene situatie van de rechterlijke macht waar opposant op wijst en zijn onderbouwing daarvan, heeft de rechtbank onvoldoende gevonden om te oordelen dat voor Polen niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder heeft de rechtbank overwogen dat opposant zijn gestelde medische situatie niet heeft onderbouwd, dat zijn familieomstandigheden voor de staatssecretaris geen aanleiding hoeven te vormen om artikel 17 van de Dublinverordening toe te passen en dat er geen aanleiding is om behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen die zijn gesteld door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, over de (on)deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Wat vind opposant in verzet?
4. Opposant voert aan dat de rechtbank deze zaak niet zonder zitting mocht afdoen. Hij wijst op de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 8:54, 7:2 en 7:3 van de Awb. Ook wijst opposant op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, waarin is geoordeeld dat de staatssecretaris terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op de hoorplicht. Volgens opposant blijkt uit die uitspraak dat een afdoening van een beroepszaak zonder zitting in zijn geval niet kan. In dit kader wijst opposant onder andere op de politieke situatie in Polen, dat horen het vertrouwen tussen burgers en de overheid versterken, hij uitdrukkelijk heeft verzocht om een zitting en dat niet ondenkbaar is dat tijdens de zitting nadere informatie over persoonlijke en bijzondere omstandigheden naar voren kunnen worden gebracht. Tot slot voert opposant aan dat de uitspraak langer is dan een gemiddelde ‘Dublinuitspraak’, wat volgens hem haaks staat op de vereenvoudigde afdoening wegens kennelijkheid.
Wat is het toetsingskader bij verzet?
5. Bij verzet oordeelt de rechtbank uitsluitend of het beroep van opposant buiten redelijke twijfel ongegrond verklaard kon worden zonder het houden van een zitting. Indien opposant met gegronde redenen kan onderbouwen dat het beroep niet zonder zitting afgedaan mocht worden bij de bestreden uitspraak, kan het verzet gegrond verklaard worden. Aan de inhoudelijke bespreking van de beroepsronden gericht tegen het bestreden besluit komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
Wat is het oordeel van de rechtbank over het verzet?
6. De rechtbank ziet in hetgeen opposant heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat de rechtbank ten onrechte tot een vereenvoudigde behandeling van de zaak van opposant is overgegaan. De rechtbank overweegt hiertoe allereest dat de bestuursrechter de bevoegdheid heeft om uitspraak te doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. In dat geval kan een zitting achterwege blijven. Dat opposant uitdrukkelijk om een zitting heeft verzocht, is daarom op zichzelf staand geen reden om het verzet gegrond te verklaren. Opposant heeft in de verzetsprocedure geen (persoonlijke) feiten en/of omstandigheden aangevoerd waardoor de rechtbank vindt dat zijn beroepszaak niet op grond van artikel 8:54 van de Awb mocht worden afgedaan. Aan de uitspraak van de Afdeling, waar opposant op wijst, kan niet de door hem gewenste waarde worden toegekend. Die uitspraak ziet immers op het horen in de bezwaarprocedure. In de stelling van opposant dat een zitting kan bijdragen aan het naar voren brengen van zijn persoonlijke en bijzondere omstandigheden, ziet de rechtbank eveneens geen reden om het verzet gegrond te verklaren. Het is immers aan opposant en zijn gemachtigde om in zijn beroepsgronden zo volledig als mogelijk aan te geven waarom hij het niet eens is met het besluit van de staatssecretaris. Tot slot ziet de rechtbank in de lengte van de bestreden uitspraak geen reden om het verzet gegrond te verklaren, nu dit op zichzelf niets zegt over de kennelijkheid van het eindoordeel.
Conclusie
7. In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 28 februari 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 28 februari 2024 in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
Dictum
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen de uitspraak op het verzet is geen hoger beroep mogelijk.