Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-31
ECLI:NL:RBDHA:2024:935
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,626 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6267
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. I. Blekman),
en
de Commandant Luchtstrijdkrachten
(gemachtigde: mr. B. Quadackers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser voor bijzonder vlieggeld.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 9 februari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 augustus 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Voor verweerder zijn verder verschenen mr. [naam 1] en [naam 2].
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is bij de luchtmacht in opleiding om vlieger van een MQ-9 Reaper (een onbemand verkenningsvliegtuig) te worden. Tijdens zijn opleiding is het hem duidelijk geworden dat de eerste fase van zijn opleiding hetzelfde is als die van de collega’s die in opleiding zijn om piloot te worden voor andere soorten vliegtuigen. Zijn collega’s krijgen daarvoor tijdens hun opleiding bijzonder vlieggeld toegekend, eiser niet. Dat is volgens eiser in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Verweerder wijst op de regelgeving. Voor het toekennen van bijzonder vlieggeld is vereist dat sprake is van een vliegtuig met straalvoortstuwing. De Reaper voldoet daar niet aan. Daarnaast is van belang dat eiser aan het begin van zijn opleiding al is aangewezen als Reaper vlieger. De collega’s van eiser die in de eerste fase dezelfde opleiding volgen zijn dat niet. Zij zijn voorbestemd als jachtvlieger, transportvlieger of kunnen daar nog voor geselecteerd worden. Daarmee is geen sprake van gelijke gevallen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser licht toe dat het bijzondere vlieggeld bedoeld is voor militairen die in opleiding zijn voor vlieger maar nog geen recht hebben op vliegtoelage. Eerder werd bijzonder vlieggeld alleen toegekend als je in opleiding was voor jachtvlieger. Dit is inmiddels losgelaten. Ook andere aspirant vliegers hebben nu recht op het bijzondere vlieggeld met toepassing van de hardheidsclausule. Dat komt omdat zij in de eerste fase dezelfde opleiding doorlopen. De opleiding die eiser volgt bestaat pas sinds 2023 dus hij is de eerste die het ongerechtvaardigde onderscheid heeft ervaren. Ook eiser volgt in de eerste fase precies dezelfde opleiding als de andere vliegers. Dat sprake is van een andere locatie is geen doorslaggevend criterium. Daarom dient eiser ook aanspraak te maken op het bijzondere vlieggeld.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de aanvraag voor het bijzonder vlieggeld afgewezen heeft. Eiser voldoet niet aan het vereiste van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1, van de Inkomstenregeling militairen. Ook de versoepeling van deze regel die sinds de analyse van UB REPOS van 22 januari 2015 gehanteerd wordt is niet op eiser van toepassing. Op de zitting is door verweerder toegelicht dat deze REPOS analyse maar korte tijd van kracht was. Dat was gedurende één jaar waarop er voor gekozen werd om de opleiding voor luchttransport(lutra) en jachtvliegtuig naast elkaar te laten bestaan op dezelfde locatie. Daarna is dat losgelaten en worden de lutra- en jachtvliegtuigpiloten als een groep opgeleid op dezelfde locatie en wordt achteraf bepaald wie welke bestemming kreeg. Daarmee kwam het onderscheid gedurende de opleiding te vervallen.
Hoewel tussen partijen niet in geschil is dat de eerste fase van de opleiding van eiser hetzelfde is als die van andere vliegers, blijkt dat nu juist niet doorslaggevend bij het toekennen van het bijzondere vlieggeld. Van belang is de uiteindelijke bestemming van de vlieger. De rechtbank acht verder van belang dat bij eiser, zoals hij op de zitting heeft verklaard, voor zijn aanstelling niet de verwachting is gewekt dat hij aanspraak kon maken op vlieggeld en dat hij niet gemengd met vliegers met een andere bestemming in opleiding zit aangezien hij op een andere locatie opgeleid wordt. Er is dan ook geen sprake van gelijke gevallen op rechtens relevante aspecten.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen aanspraak maakt op bijzonder vlieggeld. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In dit artikel wordt verstaan onder: dienstvluchten onder bijzondere omstandigheden
1°. de dienstvluchten die in vliegtuigen met straalvoortstuwing worden verricht of waaraan wordt deelgenomen door militairen die – in opleiding voor de functie van operationeel jachtvlieger – nog geen aanspraak hebben op een vliegtoelage;