Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-12
ECLI:NL:RBDHA:2024:9331
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,580 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.22926
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 28 april 2024.
1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst bij uitspraak van 13 mei 2024.
1.2.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten op 7 juni 2024 en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
3. Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij de afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4.1.
Uit de uitspraak van 13 mei 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 7 mei 2024) rechtmatig is.
Werkt de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
5. Eiser voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Volgens eiser is er in twee maanden bewaring vrij weinig gebeurd op het punt van het verkrijgen van een laissez-passer (lp) respectievelijk de uitzetting. Dat een lp-aanvraag is ingediend en men in afwachting is van een presentatie zegt op zichzelf niets, te meer gelet op de zeer summier medewerking van de Algerijnse autoriteiten aan de afgifte van lp’s in de afgelopen jaren tot nu toe. Uit het voortgangsrapport blijkt niet wanneer de beoogde presentatie plaatsvindt, hoe vaak die presentaties per jaar plaatsvinden, hoeveel lp’s afgelopen jaar werden afgegeven aan mogelijk wel gedocumenteerden en na hoeveel tijd, hoe lang het duurt na een dergelijke presentatie dat een reactie of lp wordt verkregen en hoe vaak er wordt gerappelleerd om de Algerijnse autoriteiten in dit verband te bewegen. Er blijkt niet van enige werkelijke voortvarendheid aan de kant van de staatssecretaris om een en ander voor elkaar te krijgen.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het voortgangsrapport blijkt dat er op 3 juni 2024 nog een vertrekgesprek met eiser is gevoerd en uit het verslag van dat vertrekgesprek blijkt ook dat een lp-aanvraag is ingediend. Daarmee werkt de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024 volgt dat sinds de laatste vier maanden van 2023 een voorzichtig maar consistent stijgende lijn is waar te nemen in de medewerking van de Algerijnse autoriteiten aan het hervatten van presentaties van vermoedelijk Algerijnse vreemdelingen. Dat nog onduidelijk is wanneer eiser zal worden gepresenteerd of er geen antwoord is gegeven op de door eiser benoemde vragen, betekent niet dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Daarbij is van belang dat het niet in de macht van de staatssecretaris ligt om aan eiser een laissez-passer af te geven, maar hij daarvoor afhankelijk is van de Algerijnse autoriteiten. De staatssecretaris heeft – afgezien van de mogelijkheid om regelmatig te rappelleren – geen invloed op de snelheid waarmee de Algerijnse autoriteiten een lp-aanvraag beoordelen. In het algemeen gaat met een lp-traject de nodige tijd gemoeid en de staatssecretaris mag de Algerijnse autoriteiten die tijd gunnen om te beoordelen of een laissez-passer zal worden afgegeven. Bovendien kan eiser die tijd verkorten door zelf mee te werken aan het verkrijgen van (kopieën van) identiteitsdocumenten. Uit de stukken blijkt niet van een bereidheid daartoe.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. De maatregel van bewaring blijft in stand. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten van eiser te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag (zp Arnhem), ECLI:NL:RBDHA:2024:7421.
Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
ECLI:NL:RVS:2024:1892.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.