Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-30
ECLI:NL:RBDHA:2024:9297
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,990 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.17397
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.J. Paffen),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. K. Kanters).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
Eiser heeft op 16 februari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit van 15 april 2024 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 16 mei 2024, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit het beroep (NL24.17398), op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de staatssecretaris. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Overwegingen
1. De rechtbank beoordeelt de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Achtergrond
2. Eiser stelt dat hij de Gambiaanse nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedatum] 1992. Eiser heeft eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft deze aanvraag bij besluit van 20 maart 2023 afgewezen. Dit besluit staat na uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 21 juni 20231, waartegen eiser geen hoger beroep heeft ingesteld, in rechte vast.
1NL23.9148
3. Op 16 februari 2024 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, omdat zijn medische situatie zou zijn verslechterd. Die aanvraag ligt ten grondslag aan het thans bestreden besluit.
Het bestreden besluit
4. De staatssecretaris heeft de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De staatssecretaris stelt dat er geen aanleiding was om onderzoek te doen naar de medische situatie van eiser, omdat dit niet ambtshalve wordt beoordeeld bij een opvolgende aanvraag. Het is aan eiser om een zo volledig mogelijke aanvraag in te dienen. Eiser heeft hier volgens de staatssecretaris niet aan voldaan, omdat hij geen documenten heeft overgelegd om zijn opvolgende aanvraag mee te onderbouwen.
Standpunt van eiser
5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en stelt zich op het standpunt dat de staatssecretaris zijn aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser heeft aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag gelegd dat sprake is van een verslechtering van zijn medische situatie en dat terugkeer naar Gambia daardoor zou leiden tot een reëel en voorzienbaar risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Door het indienen van deze aanvraag verkreeg eiser het recht op opvang en kon hij een afspraak maken bij een nieuwe (medische) behandelaar. In de zienswijze heeft eiser kenbaar gemaakt dat hij in afwachting was van medische documenten en een afspraak bij de nieuwe behandelaar. Eiser stelt dat de staatssecretaris deze stukken had moeten afwachten.
Beoordeling
6. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 juni 20172, waarin de Afdeling, onder verwijzing naar het arrest M’Bodj van het Hof van Justitie van de EU3, heeft geoordeeld dat artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in beginsel geen grondslag biedt voor verlening van een asielvergunning voor bepaalde tijd wegens de medische toestand van een vreemdeling. Uit het arrest M’Bodj volgt dat de medische toestand van een vreemdeling slechts kan leiden tot ernstige schade als bedoeld in de Kwalificatierichtlijn als sprake is van een situatie waarin medische zorg in het land van herkomst opzettelijk wordt geweigerd. In onderhavige zaak heeft eiser in het kader van een opvolgende asielaanvraag gesteld, maar niet onderbouwd, dat zijn medische toestand is verslechterd en dat een terugkeer naar Gambia zal leiden tot een reëel en voorzienbaar risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Dat sprake zou zijn van een opzettelijke weigering om medische zorg te verlenen in Gambia is gesteld noch gebleken. In de uitspraak van 30 juni 2017 heeft de Afdeling verder overwogen dat het betoog van een vreemdeling dat uitzetting wegens zijn medische toestand leidt tot een schending van artikel 3 van het EVRM niet naar aanleiding van een asielaanvraag kan worden beoordeeld en getoetst als er – zoals in geval van de onderhavige opvolgende aanvraag – geen ambtshalve beoordeling hoeft te worden verricht van reguliere verleningsgronden dan wel of uitstel van vertrek moet worden verleend, en – zoals in onderhavige zaak – evenmin een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, bijvoorbeeld omdat
2ECLI:NL:RVS:2017:1733
3 ECLI:EU:C:2014:2452
het al eerder is uitgevaardigd en door een nieuwe aanvraag niet is vervallen. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris onder deze omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de medische documenten van eiser af te wachten alvorens een beschikking te nemen en dat de staatssecretaris heeft mogen vaststellen dat er geen nieuwe elementen of bevindingen zijn aangevoerd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van eisers (opvolgende) asielaanvraag.
7. De stelling van eiser dat hij de aanvraag heeft ingediend om recht te krijgen op opvang en zo toegang te krijgen tot medische zorg, leidt niet tot een ander oordeel. De staatssecretaris heeft in dit kader ter zitting terecht gewezen op artikel 10 van de Vw. Hieruit volgt dat ook een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, aanspraak kan maken op de verlening van medisch noodzakelijke zorg.
Conclusie
8. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris de opvolgende asielaanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van N.J. Biswane, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 mei 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.