Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:9293
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,418 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/664809 / JE RK 24-694
Datum uitspraak: 22 mei 2024
Beschikking van de kinderrechter over een opheffing van de ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
advocaat: mr. J. Brouwer, gevestigd te Den Haag,
betreffende:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.E.M. Davidson, gevestigd te Rijswijk.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in zijn beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 april 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 mei 2024. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] namens de gecertificeerde instelling;
de advocaat van de gecertificeerde instelling;
[naam 2] en [naam 3] namens het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming (LET);
de moeder, via digitale verbinding;
de advocaat van de moeder.
Feiten
2.1.
Het huwelijk van de moeder en [naam 4] (hierna te noemen: de vader) is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
Bij beschikking van 14 augustus 2023 heeft de rechtbank bepaald dat het gezag over de kinderen voortaan alleen aan de moeder toekomt.
2.3.
De kinderen verblijven bij de moeder.
2.4.
Bij beschikking van 15 juni 2023 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 27 juli 2024.
3Het verzoek
3.1.
Het verzoek strekt tot opheffing van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De moeder en de kinderen verblijven sinds het voorjaar van 2023 op een voor de vader geheime locatie, omdat er grote zorgen waren over de dreigende en onvoorspelbare houding van de vader. Het gaat inmiddels goed met de kinderen. Zij zijn tot rust gekomen, vinden hun draai in de nieuwe situatie en doen het goed op school. Zij hebben vriendjes en vriendinnetjes en kunnen weer sociale activiteiten ondernemen. Er zijn geen zorgen over de ontwikkeling en de veiligheid van de kinderen in de opvoedsituatie bij de moeder. De moeder is betrokken, staat goed in contact met de (hulpverlenings)instanties en werkt mee aan de hulpverlening. Er zijn nog wel altijd grote zorgen over de psychische gesteldheid van vader en zijn bereidheid om grensoverschrijdend gedrag te vertonen om zijn eigen belangen te behartigen. Het is de afgelopen periode wederom niet gelukt om een samenwerkingsrelatie met hem op te bouwen en hem te bewegen om hulpverlening te accepteren. De vader weigert medewerking te verlenen aan diagnostiek en behandeling en ziet zijn eigen aandeel in de problemen niet. Ook blijft zijn houding boos, dreigend en beledigend en lijkt hij nog altijd actief op zoek te zijn naar de verblijfplaats van de moeder en de kinderen. Hoewel het een ontwikkelingsbedreiging vormt voor de kinderen dat zij geen contact hebben met de vader, acht de gecertificeerde instelling de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen nog groter als zij wel contact hebben met de vader zonder dat hij heeft gewerkt aan zijn problematiek. Het is dan ook noodzakelijk dat de verblijfplaats van de moeder en de kinderen geheim blijft voor de vader. Inmiddels is het gezag van de vader beëindigd en heeft de rechtbank de omgang tussen de vader en de kinderen opgeschort. Op dit moment is er geen sprake meer van een ontwikkelingsbedreiging van de kinderen en is er dus geen grond meer voor een ondertoezichtstelling. De omgang met de vader kan in de toekomst worden vormgegeven in het vrijwillig kader, mits de vader aan de randvoorwaarden voldoet. Ook voor de informatievoorziening jegens de vader kan in het vrijwillig kader een regeling worden getroffen. De gecertificeerde instelling vertrouwt erop dat de moeder haar weg naar de vrijwillige hulpverlening weet te vinden, ook als het nodig blijkt te zijn om individuele hulpverlening voor de kinderen in te zetten. Gelet op het bovenstaande verzoekt de gecertificeerde instelling om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op te heffen.
4De standpunten
4.1.
De moeder heeft ingestemd met het verzochte. Zij heeft ter zitting naar voren gebracht dat het naar omstandigheden goed gaat met de kinderen. Zij doen het goed op school en hebben nieuwe vriendschappen opgebouwd. De moeder en de kinderen slagen er steeds meer in om het normale leven weer op te pakken. Vooral [minderjarige 1] had aan het begin moeite met wennen aan de nieuwe situatie. Zij is daarom aangemeld voor maatschappelijke hulpverlening en zij kan daar aankomende week mee starten. Verder heeft de moeder in juni 2024 een gesprek gepland staan in het kader van de vrijwillige hulpverlening. Er zal een plan gemaakt worden hoe de omgang tussen de vader en de kinderen vormgegeven kan worden, in het geval dat de omgang weer op een veilige manier kan verlopen.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde gronden voor ondertoezichtstelling niet meer aanwezig zijn.
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De afgelopen jaren hebben de kinderen heftige gebeurtenissen meegemaakt. Zij moesten onderduiken wegens acute dreiging van de vader, waardoor de omgang met de vader uiteindelijk ook is stopgezet. De moeder en de kinderen verblijven op dit moment nog altijd op een voor vader geheime locatie. Het is positief dat de kinderen wat meer rust ervaren. Zij zijn gewend aan hun nieuwe verblijfplek, doen het goed op school en hebben nieuwe vriendjes en vriendinnetjes gemaakt. Hoewel de gecertificeerde instelling heeft betoogd dat er geen ontwikkelingsbedreiging meer is voor de kinderen, ziet de kinderrechter dat anders. Het feit dat de kinderen geen omgang hebben met de vader brengt naar alle waarschijnlijkheid ook een ontwikkelingsbedreiging met zich mee. Voor de identiteitsontwikkeling van kinderen is het immers van belang dat zij onbelast contact kunnen hebben met beide ouders. Duidelijk is echter dat onbelast én veilig contact met de vader op dit moment nog altijd geen optie is. Bij beschikking van 15 december 2023 heeft de rechtbank de omgang tussen de vader en de kinderen opgeschort en bepaald dat de vader eerst behandeling moet volgen voor zijn emotieregulatie voordat de omgang weer hervat kan worden. De vader heeft tot op heden geen individuele behandeling gevolgd en blijkt ook niet in staat om de samenwerking met de gecertificeerde instelling aan te gaan. Ondanks het feit dat de kinderen nog altijd ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, is de kinderrechter van oordeel dat het gedwongen kader niet langer nodig is om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen. De moeder staat open voor contactherstel tussen de vader en de kinderen, mits dit op een veilige manier kan plaatsvinden, en is bereid om hulpverlening in vrijwillig kader te aanvaarden om dit vorm te geven. Ter zitting heeft de kinderrechter begrepen dat er al concrete stappen zijn gezet om hier een plan voor te maken. Ook staat de moeder open voor individuele hulpverlening voor de kinderen. De kinderrechter is er dan ook van overtuigd dat de moeder over alle vaardigheden beschikt om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een veilige opvoedomgeving te bieden en heeft er het volste vertrouwen in dat zij de weg naar de hulpverleningsinstanties weet te vinden als dat nodig is, ook op het moment dat de vader weer in beeld zou komen. De kinderrechter wijst het verzoek, waartegen geen verweer is gevoerd, dan ook toe.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2024 door mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 5 juni 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.