Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:8970
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
963 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2924
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van tegen de brief van verweerder van 25 maart 2024 over de huisvesting van minderjarige statushouders op het adres [adres] in [plaatsnaam] .
1.1.
Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
1. Bij brief van 25 maart 2024 heeft verweerder aan eiser laten weten dat er per 11 april 2024 elf minderjarige statushouders gehuisvest zullen worden op de [adres] .
2. Eiser heeft tegen deze brief een beroep ingediend en een voorlopige voorziening gevraagd (zaaknummer 24/2925). De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van heden het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de brief van 25 maart 2024 een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dit is op grond van het bepaalde in artikel 1:3 van de Awb het geval als sprake is van een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling: een publiekrechtelijke handeling die gericht is op rechtsgevolg.
4. De rechtbank is van oordeel dat de mededeling dat er elf minderjarige statushouders gehuisvest zullen worden, geen publiekrechtelijke rechtshandeling is die gericht is op rechtsgevolg. Het betreft alleen een mededeling aan omwonenden zodat zij weten wie hun nieuwe buren worden. Hiertegen staat geen bezwaar en beroep open. De omstandigheid dat partijen verdeeld zijn over de vraag of er een omgevings- dan wel verhuurvergunning vereist is voor de huisvesting, dan wel of er in het verleden onvergund een terras is gerealiseerd, doet niet af aan het feit dat de huisvesting op zich geen besluit is in de zin van de Awb. De burgerlijke rechter is als restrechter bevoegd om kennis te nemen van een over de huisvesting in te stellen vordering.
5. De rechtbank is onbevoegd. Zij mag de zaak dus niet behandelen. Eiser krijgt daarom het griffierecht van de rechtbank terug. Hij krijgen geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank
- verklaart zich onbevoegd;
- bepaalt dat alleen een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld;
- bepaalt dat de griffier van de rechtbank aan eiser het griffierecht terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.