Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:8882
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,316 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.13336
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R. Achttienribbe),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Inleiding
Eiser heeft op 28 oktober 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 maart 2024 deze aanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. De reden daarvoor is dat eiser op 15 maart 2022 met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder heeft bij dit besluit bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en heeft eiser een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 19 april 2024 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
1. Uit vaste rechtspraak volgt dat, indien de vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579).
2. De gemachtigde van eiser heeft op 16 april 2024 schriftelijk gereageerd op vragen van de rechtbank. De gemachtigde heeft meegedeeld dat zij niet weet waar eiser verblijft en
dat zij geen contact meer heeft met eiser sinds dat hij met onbekende bestemming is vertrokken. Gemachtigde heeft geen contact meer gehad met eiser over de verdere voortgang van deze procedure.
3. De rechtbank oordeel als volgt. Eiser is sinds 15 maart 2022 met onbekende bestemming vertrokken. Verweerder noch gemachtigde weet waar hij verblijft en of eiser nog in Nederland is. Daarnaast blijkt uit de informatie van de gemachtigde van eiser dat zij sinds 15 maart 2022 geen contact met hem heeft gehad.
4. In lijn met de vaste rechtspraak over dit onderwerp neemt de rechtbank in dit geval aan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de aanvankelijk door hem gezochte bescherming hier in Nederland. Aldus heeft eiser geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen de buiten behandelingstelling van zijn asielaanvraag.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Conclusie
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra - Foppen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 april 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.13336
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R. Achttienribbe),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Inleiding
Eiser heeft op 28 oktober 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 maart 2024 deze aanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. De reden daarvoor is dat eiser op 15 maart 2022 met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder heeft bij dit besluit bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en heeft eiser een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 19 april 2024 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
1. Uit vaste rechtspraak volgt dat, indien de vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579).
2. De gemachtigde van eiser heeft op 16 april 2024 schriftelijk gereageerd op vragen van de rechtbank. De gemachtigde heeft meegedeeld dat zij niet weet waar eiser verblijft en
dat zij geen contact meer heeft met eiser sinds dat hij met onbekende bestemming is vertrokken. Gemachtigde heeft geen contact meer gehad met eiser over de verdere voortgang van deze procedure.
3. De rechtbank oordeel als volgt. Eiser is sinds 15 maart 2022 met onbekende bestemming vertrokken. Verweerder noch gemachtigde weet waar hij verblijft en of eiser nog in Nederland is. Daarnaast blijkt uit de informatie van de gemachtigde van eiser dat zij sinds 15 maart 2022 geen contact met hem heeft gehad.
4. In lijn met de vaste rechtspraak over dit onderwerp neemt de rechtbank in dit geval aan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de aanvankelijk door hem gezochte bescherming hier in Nederland. Aldus heeft eiser geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen de buiten behandelingstelling van zijn asielaanvraag.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Conclusie
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra - Foppen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 april 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.