Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-31
ECLI:NL:RBDHA:2024:8399
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,131 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/313310-22
Datum uitspraak: 31 mei 2024
Tegenspraak
(Verkort vonnis)
De rechtbank Den Haag heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] (Samoa),
BRP-adres: [adres], [postcode] [woonplaats].
De terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 17 mei 2024.
De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. S.W. Teuwen, is op de terechtzitting verschenen en gehoord.
De officier van justitie mr. L.A. Pronk heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 137 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden: meldplicht, gedragsinterventie, dagbesteding en schuldhulpverlening en een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
De tenlasteleggingAan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 7 februari 2023 te 's-Gravenhageopzettelijk aanwezig heeftgehad ongeveer 17,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van diewet;
2hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 november 2022 toten met 6 februari 2023 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, (telkens)tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeftbereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekten/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid vaneen materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bijde Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid vanartikel 3a van die wet;
3hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 november 2022 toten met 6 februari 2023 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, (telkens) tezamen enin vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft geteelden/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/ofverstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) eenhoeveelheid van een of meer plakken (van ongeveer 50 of 100 gram per plak), in elkgeval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vastmengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraangeen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld inde bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lidvan artikel 3a van die wet.
De bewijsmiddelen
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.
De bewezenverklaring
Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
1hij op 7 februari 2023 te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad 17,9 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2hij in de periode van 11 november 2022 tot 15 januari 2023 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3hij in de periode van 11 november 2022 tot 15 januari 2023 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd een hoeveelheid van meer dan 30 gram van hennep (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
De strafoplegging
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich in een periode van twee maanden schuldig gemaakt aan het in bezit hebben en het verhandelen van cocaïne en hennep. Het gaat daarbij om voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. De verspreiding van en handel in cocaïne en hennep gaat gepaard met vele andere vormen van (gewelddadige) criminaliteit, terwijl ook het gebruik ervan vaak gepaard gaat met door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stoffen, hetgeen vaak overlast voor de samenleving met zich brengt. In het bijzonder rekent de rechtbank de verdachte aan dat hij cocaïne heeft verkocht aan een pas vijftien jarig meisje. De verdachte heeft zich ten tijde van het dealen om al deze omstandigheden kennelijk niet bekommerd en slechts gehandeld voor eigen financieel gewin.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 maart 2024. Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor Opiumwetfeiten. Het strafblad weegt dan ook niet in zijn nadeel, maar ook niet in zijn voordeel, mee.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportages van de reclassering van 20 november 2023 en 29 april 2024. In het laatstgenoemde rapport heeft de reclassering beschreven dat de verdachte meewerkt aan zijn reclasseringstoezicht, maar dat hieraan wel een formele waarschuwing vooraf is gegaan.
De reclassering heeft geadviseerd om de bijzondere voorwaarden, zoals genoemd in het rapport van 20 november 2023, voort te zetten. Er wordt door de reclassering niet specifiek ingegaan op het voortzetten van het locatiegebod door middel van elektrische monitoring. Zowel de verdediging als de officier van justitie zijn van mening dat deze voorwaarde kan komen te vallen. De rechtbank zal deze voorwaarde niet opleggen nu de verdachte – door deze voorwaarde – al ruim een half jaar ernstig in zijn vrijheid beperkt is geweest. Wel zal de rechtbank de overige bijzondere voorwaarden opleggen om de kans op recidive te beperken.
Ter terechtzitting heeft de verdachte aangegeven dat hij spijt heeft van het dealen en dat hij pas achteraf inzag dat hij mensen hiermee schade toebracht. Met name het feit dat hij cocaïne heeft verkocht aan een minderjarige vindt hij erg. Dit komt oprecht over en de rechtbank weegt zijn proceshouding in zijn voordeel mee bij de strafoplegging.
Dictum
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 3:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 138 DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 90 DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich zal melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
- actief zal deelnemen aan de gedragsinterventie COVA training of een andere
gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
- zich zal inspannen voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van (on)betaald werk of een opleiding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
De rechtbank geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte verder tot:
een taakstraf voor de duur van 180 UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 90 DAGEN;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.H.J. Zevenhuijzen, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.A. Veenhuizen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 mei 2024.