Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-30
ECLI:NL:RBDHA:2024:8318
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
835 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.18580
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. P. Zijlstra).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 april 2024 niet in behandeling genomen omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de aanvraag. Op 30 april heeft de staatssecretaris laten weten het besluit van 26 april in te trekken, en heeft hij tevens een nieuw besluit genomen.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de staatssecretaris. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank stelt vast dat verweerder het bestreden besluit van 26 april 2024 heeft ingetrokken en dit besluit heeft vervangen door een nieuw besluit van 30 april 2024. Over dit laatste besluit wordt in een andere zaak met nummer NL24.19098, uitspraak gedaan..
3. Het onderhavige beroep tegen het besluit van 26 april 2024 is niet ingetrokken. Omdat dat besluit is ingetrokken, heeft eiser geen procesbelang meer bij de inhoudelijke beoordeling van het onderhavige beroep. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het besluit van 26 april 2024 dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
4. Omdat het besluit ten tijde van het indienen van het beroep nog niet was ingetrokken, heeft eiser op goede gronden beroep ingediend. Daarom krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Verweerder heeft zich ter zitting bereid verklaard om de gemaakte proceskosten te vergoeden. De proceskostenvergoeding bedraagt € 875,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van M.A. Postma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.