Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-08
ECLI:NL:RBDHA:2024:8265
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,157 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.15723
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres]
, V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr J.R. Vreijsen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 5 april 2024 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de waarnemer voor de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.¹ In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om overname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Bedenktijd en aangifte
5. Eiseres voert aan dat haar ten onrechte geen bedenktijd is gegund als slachtoffer van mensenhandel. Eiseres verwijst onder meer naar de annotatie van mr. C.R.J.J. Rijken en
S. Hageman in de JV 2023/3 bij de uitspraak van het Hof van Justitie in antwoord op de vragen van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle van 29 januari 2021.² Eiseres is op 11 november 2023 in Nederland aangekomen en heeft zich op 25 november 2023 gemeld in Ter Apel. Op 3 december 2023 is een gehoor afgenomen waarin aan eiseres al is medegedeeld dat zij zou worden overgedragen aan Duitsland. Hierdoor is het nuttig effect van de bedenktijd geschonden.
6. De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest O.T.E. tegen Nederland overweegt het Hof dat Richtlijn nr. 2004/81/EG zich er niet tegen verzet dat tijdens de periode van de bedenktijd krachtens artikel 6, eerste lid, van die richtlijn, een overdrachtsbesluit wordt vastgesteld en voorbereidende maatregelen worden getroffen voor de uitvoering daarvan, mits deze voorbereidende maatregelen de bedenktijd niet van hun nuttige werking beroven (r.o. 80). Volgens het Hof verzet dit artikel zich er alleen tegen dat een overdrachtsbesluit wordt uitgevoerd wanneer de onderdaan van een derde land de bedenktijd waarop hij recht had niet heeft gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat door het gehoor op 3 december 2024 het nuttig effect van de bedenktijd is ontnomen. Gesteld is dat eiseres al wist dat ze aangifte wilde doen. Eiseres heeft daar feitelijk ook de tijd voor gehad. Dat eiseres pas op 7 mei 2024 een afspraak heeft voor het doen van aangifte van mensenhandel, heeft volgens eiseres ermee te maken dat er een misverstand was tussen het COA en Vluchtelingenwerk Nederland. De grond dat de staatssecretaris in verband met de bedenktijd te snel heeft besloten slaagt dan ook niet.
7. De stelling dat de staatssecretaris zelf meer initiatief had moeten nemen om een aangifte te bewerkstelligen kan er niet toe leiden dat de besluitvorming over het overdrachtsbesluit onrechtmatig is. In een Dublinprocedure komt de staatssecretaris niet toe aan de vraag of een vreemdeling in aanmerking komt voor een vergunning als bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Het doen van aangifte of in gang zetten daarvan als eerste stap in die richting ligt dan ook niet op de weg van de staatssecretaris in deze procedure. Dit omdat de aangifte van mensenhandel geen invloed heeft op de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van het asielverzoek.
Medische situatie en 17 van de Dublinverordening
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris noch in de medische situatie noch in de andere individuele omstandigheden van eiseres aanleiding hoeven vinden om nader onderzoek te doen of om het asielverzoek aan zich te houden. De rechtbank overweegt dat weliswaar blijkt dat eiseres in zekere zin kwetsbaar is, vanwege de mensenhandel en seksueel geweld dat zij stelt te hebben meegemaakt, maar zij heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij bijzondere bescherming in de zin van het arrest Tarakhel nodig heeft. Verder is de rechtbank met de staatssecretaris van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar medische problemen maken dat overdracht naar Duitsland in strijd zou zijn met artikel 4 van het Handvest of zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Uit het patiëntendossier volgt dat er bij eiseres sprake is van psychische/medische problemen en klachten die passend zijn bij PTSS. In de
2 ECLI:NL:RBDHA:2021:727.
medische gegevens zit echter geen concrete objectieve informatie over de gevolgen van een overdracht aan Duitsland als zodanig. De staatssecretaris heeft dan ook op goede gronden geconcludeerd dat niet is gebleken van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening waarbij de overdracht een reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand. Er was ook overigens onvoldoende aanleiding om de BMA om advies te vragen alvorens de staatssecretaris het besluit kon nemen.
9. Eiseres baseert haar beroep op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening met name haar kwetsbaarheid, slachtofferschap en medische situatie. Met deze omstandigheden heeft de staatssecretaris in de besluitvorming reeds rekening gehouden. Ook de combinatie ervan maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij het asielverzoek aan zich had moeten trekken. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid die beslissingsruimte geeft aan de staatssecretaris. De staatssecretaris heeft mogen concluderen dat niet is gebleken dat eiseres zichzelf niet staande zou kunnen houden en er onvoldoende bijzondere individuele omstandigheden zijn om de asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen. Deze beroepsgrond slaagt niet
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Van een motiveringsgebrek of gebreken in het onderzoek door de staatssecretaris is geen sprake. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 mei 2024
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.