Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:8261
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,428 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.15575
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. M.K. Ruizendaal).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2024 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. L.J. Blijdorp als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.¹ In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
5. Duitsland heeft eisers verblijfsvergunning ingetrokken. Volgens eiser is het hoger beroep tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning nog in behandeling. Hij was in het bezit van een pasje waaruit het rechtmatig verblijf bleek. Dat pasje was geldig tot april 2024. Hij heeft dat pasje gekregen in verband met het hoger beroep. Daaruit volgt volgens hem dat de subsidiaire bescherming mogelijk nog van kracht is, althans dat de discussie daarover nog steeds open staat. Gezien het arrest Gnandi van het Hof van Justitie van 19 juni 2018² en de daarin neergelegde bepalingen over schorsende werking, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat eiser nog internationale bescherming geniet. Omdat de staatssecretaris geen onderzoek heeft gedaan of de Dublinverordening op eiser van toepassing is, is de asielaanvraag ten onrechte niet in behandeling genomen, althans is de beschikking op verschillende punten onzorgvuldig voorbereid of onvoldoende gemotiveerd.
6. De rechtbank overweegt als volgt. De staatssecretaris mag in beginsel uitgaan van de juistheid van het claimakkoord van Duitsland. In het claimverzoek aan de Duitse autoriteiten heeft de staatssecretaris medegedeeld dat eiser heeft verklaard dat zijn beroepsprocedure ‘still pending’ is. De Duitse autoriteiten waren dan ook op de hoogte van het gestelde lopende beroep. In het geval hij subsidiaire bescherming op grond van een lopende beroepsprocedure zou genieten in Duitsland, is het aannemelijk dat de Duitse autoriteiten de claim niet zouden hebben geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.
7. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er nog een beroepsprocedure loopt, zoals hij in zijn aanmeldgehoor heeft verklaard. Hij heeft hier geen stukken van overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van eiser onvoldoende om niet van de juistheid van het claimakkoord uit te gaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
2 ECLI:EU:C:2018:465.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 mei 2024
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.