Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:8240
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,490 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.21753
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], verzoeker,
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. J.W.F. Menick),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).
Procesverloop
Verweerder heeft op 16 mei 2024 aan verzoeker meegedeeld dat hij voornemens is om hem uit te zetten naar Algerije op 23 mei 2024 om 9:40 uur.
Verzoeker heeft daartegen op 20 mei 2024 bij verweerder bezwaar gemaakt. Hij heeft verder op diezelfde datum de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om zijn uitzetting te voorkomen, totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter heeft het standpunt van verweerder op 20 mei 2024 ontvangen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft eerder, op 9 mei 2023, een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is destijds door verweerder bij besluit van 22 september 2023 afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, bij uitspraak van 6 december 2023 ongegrond verklaard. Het hoger beroep is door de Afdeling bij uitspraak van 22 december 2023 niet-ontvankelijk verklaard.
2. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verzoeker ook bezwaar heeft ingediend tegen het besluit van 22 april 2024 (het bestreden besluit), waarbij verweerder heeft besloten dat de uitzetting van verzoeker niet achterwege wordt gelaten vanwege de door hem ingediende opvolgende asielaanvraag. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient verzoeker de gronden tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting in die procedure aan de orde te stellen. Omdat verzoeker echter al bezwaar heeft ingediend tegen de feitelijke uitzetting als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw, zal de voorzieningenrechter het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening aanmerken als connex aan het bezwaar tegen het bestreden besluit. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarmee dus niet langer connex aan het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting, maar connex aan het bezwaar tegen het bestreden besluit.
3. Als voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, kan
de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op
grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Beoordeling
5. Verzoeker voert aan dat Algerije geen veilig land is voor hem en heeft daarom een asielaanvraag ingediend. Hij verwacht grote problemen bij een terugkeer naar Algerije. Verzoeker heeft er belang bij om de uitkomst van die procedure af te wachten omdat hij bij terugkeer naar verwachting zal worden gearresteerd omdat hij vroegtijdig de militaire dienst heeft verlaten. Daarnaast heeft hij ook een schuld van € 40.000,- bij een vroegere zakenpartner. Hij kan deze schuld niet voldoen en is daarom door zijn zakenpartner met de dood bedreigd. De politie kan hem niet beschermen. Verder is zijn uitzetting naar Algerije in strijd met artikel 8 van het EVRM, omdat hij een kind heeft dat in Nederland verblijft.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de stukken blijkt dat verzoeker eerder zou worden uitgezet naar Algerije op 9 mei 2024, maar dat dat niet is doorgegaan vanwege een te laat afgegeven LP. Ten tijde van de mededeling van die uitzetting heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen tegen die uitzetting. Dat verzoek is door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, bij uitspraak van 8 mei 2024 afgewezen. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat de gronden die aan het onderliggende verzoek ten grondslag liggen gelijk zijn aan de gronden die verzoeker naar voren heeft gebracht in de uitspraak van 8 mei 2024. Niet is gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, zodat de voorzieningenrechter geen reden ziet om anders te oordelen dan deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, reeds heeft gedaan bij uitspraak van 8 mei 2024.
7. Het bezwaar van verzoeker heeft op dit moment geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter ziet verder, gelet op de betrokken belangen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening daarom af.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, uitgesproken op 21 mei 2024 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch meegedeeld aan de gemachtigde van verzoeker op 21 mei 2024 om 17:31 uur en aan de gemachtigde van verweerder op 21 mei 2024 om 17:34 uur.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Rb Den Haag (zittingsplaats Arnhem) 6 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20702.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Op grond van artikel 3.1, tweede lid, onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Laissez-passer.
Rb Den Haag (zittingsplaats Rotterdam) 8 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7352.