Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:8085
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,499 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.20196
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).
Procesverloop
De staatssecretaris heeft op 10 april 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 24 mei 2024 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 april 2024 (in de zaak NL24.16032) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 19 april 2024.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten eiser
3. Eiser betoogt dat de bewaring onrechtmatig is. Eiser voert hiertoe aan dat de staatssecretaris niet voortvarend werkt aan zijn uitzetting, dat er geen zicht is op uitzetting binnen afzienbare tijd en dat de gronden de maatregel niet kunnen dragen. Eiser stelt dat de laissez-passer (lp) aanvraag al loopt sinds juli 2023 en dat het aan de staatssecretaris is om te laten zien dat er in soortgelijke zaken, waarin de lp-aanvraag al 10 maanden loopt, er geen presentatie in persoon is gepland en waarbij geen documenten zijn, toch een lp wordt verstrekt.
Oordeel rechtbank
4. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt. De staatssecretaris heeft sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure één keer gerappelleerd op de lp-aanvraag, te weten op 7 mei 2024 en één vertrekgesprek met eiser gevoerd, te weten op 2 mei 2024. De staatssecretaris heeft ter zitting toegelicht dat de schriftelijke rappels worden gedaan in een driewekelijkse cyclus en dat het volgende vertrekgesprek gepland staat op 28 mei 2024. De rechtbank overweegt voorts dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat de staatssecretaris op 3 mei 2024 de Dienst Internationale Aangelegenheden (DIA) heeft verzocht aandacht te vragen voor de lp-aanvraag van eiser. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting niet ontbreekt. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. Voorts overweegt de rechtbank dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat Algerije voor eiser in het bijzonder geen lp zal afgeven. Hiertoe acht de rechtbank het enkele tijdsverloop sinds de lp-aanvraag en het feit dat deze nog niet tot afgifte heeft geleid nog niet van zwaarwegende betekenis. Bovendien blijkt uit de vertrekgesprekken dat eiser niet volledig en actief meewerkt. Deze medewerking mag wel van hem worden verwacht, zoals ook blijkt uit de uitspraken van de Afdeling van 13 januari 2022 en 2 augustus 2022. Eiser heeft geen actie ondernomen en daarbij als reden gegeven dat hij naar Canada wil gaan.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris aan eiser terecht geen lichter middel heeft opgelegd. De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij niet wil terugkeren naar Algerije en dat eiser dus niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De rechtbank is niet gebleken van persoonlijke omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de staatssecretaris aanleiding heeft moeten zijn eiser niettemin een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024 met nummer ECLI:NL:RVS:2024:1892.
ECLI:NL:RVS:2022:85 en ECLI:NL:RVS:2022:2210.