Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:8072
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,015 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.33862
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
Inleiding
Met het besluit van 10 april 2017 heeft verweerder aan eiseres een inreisverbod opgelegd. Dit inreisverbod is gepubliceerd in de Staatscourant van 12 april 2017. Inmiddels is aan eiseres een verblijfsvergunning asiel verleend en het eerder opgelegde inreisverbod opgeheven. Eiseres heeft gevraagd de publicatie van het inreisverbod te verwijderen uit de Staatscourant, omdat zij er nadeel van ondervindt.
Verweerder heeft met het primaire besluit van 29 november 2022 geweigerd de publicatie te verwijderen. Het bezwaar hiertegen is met het bestreden besluit van 29 september 2023 ongegrond verklaard. Om deze reden heeft eiseres beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 2 mei 2024 op zitting behandeld. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook was de echtgenoot van eiseres aanwezig.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Tijdens de zitting is gebleken dat de publicatie van het inreisverbod inmiddels uit de Staatscourant is verwijderd. Hierop heeft eiseres het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder in de proceskosten te veroordelen.
De rechtbank heeft hierover meteen na de zitting een beslissing gegeven. Deze luidt als volgt:
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
€ 1.750,-.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat enkel nog over de vraag of verweerder de proceskosten van eiseres voor de beroepsprocedure dient te betalen.
2. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, dan kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. De rechtbank stelt vast dat eiseres beroep heeft moeten instellen om het voor haar gewenste resultaat te bereiken, namelijk het verwijderen van de publicatie van het (achterhaalde) inreisverbod. Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep bij de desbetreffende afdeling aangegeven dat het bericht uit de Staatscourant verwijderd kon worden. Hiermee is inmiddels aan het belang van eiseres volledig tegemoet gekomen, maar eiseres was wel genoodzaakt proceskosten te maken. Om deze reden komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 875,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2024 door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
10 mei 2024
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Partijen zijn er ter zitting op gewezen dat tegen deze uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.