Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-07
ECLI:NL:RBDHA:2024:7873
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,632 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.14941
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. M.K. Ruizendaal).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 5 april 2024 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Ware als tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5. Op de zitting heeft eiser zijn beroepsgrond over het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk laten vallen.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
6. Eiser heeft verklaard dat hij in Italië een verblijfsvergunning asiel heeft die tot oktober 2026 geldig is. Hij beschikt ook over een vluchtelingenpaspoort. In 2022 heeft hij Italië verlaten en in Frankrijk een asielaanvraag ingediend. Die aanvraag is afgewezen omdat eiser statushouder in Italië was. In maart 2023 heeft eiser Frankrijk verlaten en is hij naar Italië teruggegaan. In december 2023 heeft eiser Italië weer verlaten en heeft hij in Nederland een asielaanvraag ingediend.
7. Eiser voert aan dat Frankrijk niet bereid was om zijn asielaanvraag inhoudelijk te beoordelen, omdat hij op dat moment statushouder was (geweest) in Italië en dat Frankrijk daarom Italië verantwoordelijk acht voor zijn asielaanvraag en zijn bescherming. Eiser kan daarom niet worden geclaimd op Frankrijk, hij had moeten worden geclaimd op Italië. Zijn aanvraag had niet buiten behandeling gesteld moeten worden op grond van artikel 30 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) maar niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a van de Vw. Gelet op de discussies rond statushouders uit Italië en omdat eiser geen hulp of opvang ontving vanuit de Italiaanse overheid, lag het op de weg van de staatssecretaris om eiser op te nemen in de nationale procedure.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de verklaringen van eiser in het aanmeldgehoor volgt dat eiser in Frankrijk om internationale bescherming heeft verzocht en dat zijn verzoek daar is afgewezen. Dit wordt bevestigd door het claimakkoord van de Franse autoriteiten op grond van artikel 18, eerste lid, onder d van de Dublinverordening. De Franse autoriteiten hebben de asielaanvraag van eiser afgewezen. Op grond hiervan is Frankrijk verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De omstandigheid dat eiser een verblijfsstatus in Italië zou hebben, maakt in de situatie van eiser niet dat de staatssecretaris verplicht is om zijn asielaanvraag in behandeling te nemen. De Vw biedt geen grondslag voor een dergelijke verplichting. Het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag (artikel 30) komt in volgorde vóór het niet-ontvankelijk verklaren omdat de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet (artikel 30a). Artikel 33 van de Procedurerichtlijn2 biedt ook geen grondslag om te oordelen dat de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser in behandeling had moeten nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de aanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen en dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
2 Richtlijn 2013/32/EU.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
07 mei 2024
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.