Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:7811
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,109 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/174
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2024 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. N.J. Loekemeijer),
en
het college van burgemeester en wethouders van Delft, verweerder
(gemachtigde: mr. A.S. van der Sluys).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het buiten behandeling stellen van haar verzoek om een omgevingsvergunning voor het transformeren van een kantoorgebouw aan de [adres] in [plaatsnaam] naar tijdelijke studentenwoningen, het bouwen van een fietsenstalling en het verplaatsen van een hekwerk aan de voorzijde van het perceel.
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek bij brief van 14 april 2022 – voor zover hier van belang – buiten behandeling gesteld. Met het besluit van 29 november 2022 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is verweerder hierbij gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld door [naam 1] , en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam 2] .
Waar gaat de zaak over?
2. Eiseres is erfpachter van het perceel aan de [adres] te [plaatsnaam] . Zij heeft op 10 januari 2022 een tijdelijke omgevingsvergunning verzocht voor het transformeren van het kantoorgebouw naar studentenwoningen.
3. Verweerder heeft het verzoek buiten behandeling gesteld, omdat eiseres volgens verweerder geen belanghebbende is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aannemelijk is dat het bouwplan van eiseres niet kan worden verwezenlijkt, aangezien de gemeente eigenaar is van het betrokken perceel en weigert privaatrechtelijke toestemming te geven voor het bouwplan.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiseres tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd.
Is het aannemelijk dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt?
5. Bij de beoordeling van de belanghebbendheid geldt de hoofdregel dat degene die een verzoek om vergunning indient in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op het verzoek. Dit kan anders zijn als het verzoek om het verlenen van een vergunning betrekking heeft op gronden die bij een ander in eigendom zijn of waarop een ander zakelijke rechten heeft. Als aannemelijk is gemaakt dat de voorgenomen activiteit niet kan worden verwezenlijkt omdat de rechthebbende hiervoor geen toestemming wil geven en er geen mogelijkheid bestaat om de activiteit te verwezenlijken tegen de wens van de rechthebbende in, dan is de verzoeker geen belanghebbende. In dat geval is het verzoek om vergunning geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6. Ter zitting heeft verweerder nogmaals bevestigd dat de gemeente Delft geen privaatrechtelijke toestemming heeft verleend en ook niet zal verlenen voor het bouwplan van eiseres.
7. Eiseres heeft ter zitting erkend dat privaatrechtelijke toestemming van de gemeente vereist is om het bouwplan te verwezenlijken en dat zij deze toestemming niet heeft. Eiseres betoogt dat zij desondanks als belanghebbende moet worden aangemerkt, omdat het niet vaststaat dat een weigering van de vereiste privaatrechtelijke toestemming in rechte zal standhouden. Hiertoe voert eiseres aan dat een weigering om de erfpachtvoorwaarden te herzien vatbaar is voor toetsing door de burgerlijke rechter.
8. De rechtbank overweegt dat eiseres ter zitting heeft erkend dat zij nog geen privaatrechtelijke toestemming heeft gevraagd aan de gemeente en dat er ook geen civielrechtelijke procedure aanhangig is om de benodigde privaatrechtelijke toestemming af te dwingen. Tegen deze achtergrond heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat aannemelijk is dat het bouwplan thans niet kan worden verwezenlijkt. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 januari 2019 maakt dit niet anders. In die procedure was sprake van een reeds gestarte civielrechtelijke procedure, waarvan de uitkomst ongewis was. Deze situatie is daarmee niet vergelijkbaar met het voorliggende geval.
Dat eiseres beschikt over een tijdelijke omgevingsvergunning van rechtswege voor een gelijksoortig bouwplan op de betrokken locatie, doet aan het voorgaande niet af. De vraag in hoeverre de gemeente nog de mogelijkheid heeft om privaatrechtelijke toestemming te weigeren om realisatie van het van rechtswege vergunde bouwplan te voorkomen, ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor. Eiseres zal zich voor beantwoording van die vraag desgewenst tot de burgerlijke rechter moeten wenden.
9. Het voorgaande betekent dat eiseres geen belanghebbende was bij de beslissing op haar verzoek om een omgevingsvergunning. Dat verzoek was dan ook geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Verweerder heeft het verzoek van eiseres daarom terecht niet als aanvraag in behandeling genomen. De brief van 14 april 2022 behelst daarmee geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Tegen deze brief stond daarom niet de mogelijkheid van bezwaar open. Verweerder heeft het bezwaar dan ook ten onrechte inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. Verweerder had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Nu dat niet is gebeurd, is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit op bezwaar.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding voor de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1).Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:116.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:198.