Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:7784
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,352 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.20892
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[Naam], verzoeker,
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. Y.M. Schrevelius)
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. Y. Rikken).
Inleiding
Verweerder heeft aan verzoeker meegedeeld dat hij voornemens is om hem uit te zetten naar Nigeria op zaterdag 18 mei 2024 om 14:45 uur.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen uitzetting. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij tijdens de behandeling van het bezwaarschrift niet wordt overgedragen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
1. De mededeling aan verzoeker is aan te merken als een feitelijke handeling jegens een vreemdeling als zodanig. Een dergelijke handeling is op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw gelijkgesteld met een beschikking. Hiertegen is bezwaar en vervolgens beroep mogelijk, zoals bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter is dan ook bevoegd om van dit verzoek kennis te nemen.
2. Verzoeker stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Op 5 maart 2022 heeft hij een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 13 oktober 2022 (tevens een terugkeerbesluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 13 december 2023 is het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het besluit van 13 oktober 2022 dat strekt tot uitzetting van verzoeker naar Nigeria staat daarmee in rechte vast.
3. Niet in geschil is dat verzoeker op 16 mei 2024 een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend. Evenmin is in geschil dat hij vanaf dat moment rechtmatig verblijf heeft gekregen in de zin van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw.
4. Verzoeker voert aan dat hij, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheid, niet kan worden uitgezet aan Nigeria, omdat hij de behandeling van zijn aanvraag in Nederland mag afwachten.
5. Verweerder heeft op 17 mei 2024 gereageerd op het standpunt van verzoeker en heeft daarbij aangegeven dat inmiddels op de aanvraag is beslist. Bij besluit van 16 mei 2024 is de herhaalde asielaanvraag van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid en onder d, van de Vw. Tijdens het gehoor zijn geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Tevens is geconcludeerd dat de aanvraag enkel is ingediend om de uitzetting te vertragen of verhinderen. Verweerder meent daarom dat het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen dient te worden.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
6. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter ook in geval van een niet-kennelijke afdoening uitspraak doen zonder een zitting te houden wanneer onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Gelet op het feit dat de voorgenomen overdracht van verzoeker op zeer korte termijn gepland staat, maakt de voorzieningenrechter van deze bevoegdheid gebruik.
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder tijdig heeft beslist op de aanvraag van verzoeker en dat deze aanvraag niet-ontvankelijk is verklaard. Het eventueel instellen van beroep tegen dit besluit heeft geen opschortende werking. Ook een mogelijk verzoek om een voorlopige voorziening mag niet in Nederland worden afgewacht. Dit betekent dat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw hiermee is beëindigd. Gelet hierop kan het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening niet meer tot het beoogde resultaat leiden. De voorzieningenrechter komt dan ook tot het oordeel dat het bezwaar tegen de feitelijke overdracht geen redelijk kans van slagen heeft. Dit verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RBNHO:2023:12891.
Vreemdelingenwet 2000.