Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:7294
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
971 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14509
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2024 in de zaak tussen
[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. G.P.G. Willemse-Schoenmakers),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek van verzoeker tot het treffen van een voorlopige voorziening vanwege het besluit van 4 april 2024, waarin de staatssecretaris de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling heeft genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Beoordeling
2. In artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat de voorzieningenrechter die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1.
In de beroepsprocedure is onder andere de vraag aan de orde hoe het arrest H&R van het Hof van Justitie uitgelegd en/of toegepast moet worden. Deze rechtbank en zittingsplaats beantwoordt deze vraag binnenkort in de meervoudige kamer. In afwachting van de uitkomst van die procedure wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het overdrachtsbesluit te schorsen toe.
3.2.
Toewijzing van de gevraagde voorziening is niet ingrijpend. Het opschorten van de rechtsgevolgen van het besluit van 4 april 2024 betekent slechts dat verzoeker totdat op zijn beroep uitspraak wordt gedaan, niet mag worden uitgezet. Toewijzing van het verzoek heeft ook geen onomkeerbare gevolgen.
Conclusie
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 4 april 2024 wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden uitgezet naar Oostenrijk totdat is beslist op het beroep.
4.1.
Omdat het verzoek wordt toegewezen heeft verzoeker recht op vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 875. De gemachtigde heeft één proceshandeling verricht, namelijk het indienen van een verzoekschrift. De vergoeding bedraagt dan € 875.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijs het verzoek toe;
- verbiedt de overdracht van verzoeker aan Oostenrijk totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
Hof van Justitie 2 april 2019, ECLI:EU:C:2019:280.