Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:7128
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
931 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.26300
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
In het besluit heeft de staatssecretaris bepaald dat het recht van verzoeker op tijdelijke bescherming in de zin van Richtlijn (EG) 2001/55 en Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/381 van 4 maart 2022 eindigde op 4 september 2023 (het bestreden besluit).
Verzoeker heeft op 1 september 2023 beroep ingesteld tegen dit besluit. Tevens heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer NL23.26301).
Verzoeker heeft op 16 februari 2024 zijn beroep en verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en vraagt om een veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten.
Verweerder heeft laten weten zich niet te verzetten tegen een toewijzing van het verzoek om een proceskostenveroordeling.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank de staatssecretaris bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan verzoeker tegemoet is gekomen. Bij berichten van 6 september 2023 en 13 februari 2024 heeft verweerder aan verzoeker
1. Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
medegedeeld dat zijn recht op tijdelijke bescherming niet per 4 september 2023 respectievelijk 4 maart 2024 werd beëindigd. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom tot het vergoeden van de door verzoeker gemaakte proceskosten.
4. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Volgens het Bpb is dit een vast bedrag omdat verzoeker een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. Kampschuur, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
01 mei 2024
Documentcode: [documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.