Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:7101
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,056 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.10615
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 maart 2024 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank staat eerst voor de vraag of eiser nog een procesbelang heeft. Uit de stukken volgt dat eiser met ingang van omstreeks 20 maart 2024 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:579) volgt dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de staatssecretaris laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. De Afdeling heeft overwogen dat dit slechts anders is als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. De Afdeling heeft toegelicht dat dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
4. Op 22 maart 2024 heeft de gemachtigde van eiser schriftelijk gereageerd op de MOB-melding. De gemachtigde heeft aangegeven geen contact meer te hebben met eiser en hij weet ook niet waar hij verblijft. Het laatste contact met eiser dateert van 18 of 19 maart 2024. Een daarna aan eiser verzonden brief is onbestelbaar aan de gemachtigde geretourneerd.
5. De rechtbank maakt hieruit op dat eiser uit de opvang is vertrokken en geen ander verblijfadres van hem bekend is. Ook heeft eiser geen contact meer met zijn gemachtigde, terwijl de procedure aanhangig is. Onder deze omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat eiser geen procesbelang meer heeft.
Conclusie
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 april 2024
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.