Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:7073
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
679 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.15605
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster], verzoekster
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. W.C. Boelens),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: [naam]).
Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2019 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
Bij besluit van 10 september 2020 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank Den Haag, deze zittingsplaats, heeft op 10 juni 2022 het beroep ongegrond verklaard. Op 24 augustus 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de uitspraak van de rechtbank vernietigd en verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak.
Met het besluit van 25 mei 2023 (het bestreden besluit) is verweerder, nu op grond van een nieuw advies van het Bureau Medische Advisering (het BMA) van 27 januari 2023 (het BMA-advies), bij zijn afwijzing van de aanvraag van verzoekster gebleven. Verzoekster heeft beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en overweegt daartoe het volgende.
2. Een voorlopige voorziening is alleen mogelijk als de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL23.15604, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer mogelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.M.M. Plukaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.