Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:6955
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,214 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16862
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).
Procesverloop
Verweerder heeft op 24 maart 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft desgevraagd een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 24 april 2024.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1999 en de Somalische nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 4 april 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert het volgende aan. Eiser is vanwege zijn geestelijke gezondheidstoestand opgenomen in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie (CTP) Veldzicht. Eiser stelt zich op het standpunt dat de naderende overdracht aan Duitsland, daar waar eiser zich had ingesteld op mogelijke terugkeer naar Somalië, heeft geleid tot verslechtering van zijn gezondheid. Verweerder houdt bij zijn streven om eiser binnen zes weken na het claimakkoord over te dragen aan Duitsland geen rekening met de geestelijke gezondheid van eiser. Verweerder had bij de weging van de belangen en de voortzetting van de maatregel in Veldzicht, moeten kiezen voor een lichter middel dan bewaring, zodat verweerder niet langer gehouden is eiser binnen de dwingende termijn van zes weken over te dragen aan Duitsland.
5. De rechtbank stelt vast dat de grondslag voor de voortdurende bewaring juist is. Uit het door verweerder eerder overgelegde claimakkoord van 28 maart 2024 volgt dat de overdrachtstermijn nog niet is verstreken. Ook zijn de gronden voor het aannemen van een significant risico op onttrekking aan het toezicht door eiser onverkort aanwezig. De enkele omstandigheid dat eiser is opgenomen in CTP Veldzicht betekent niet dat verweerder desondanks met een lichter middel had moeten volstaan. In deze kliniek kan op de persoonlijke situatie van eiser toegesneden psychische of psychiatrische zorg worden geboden. Eiser heeft zijn medische gesteldheid niet verder onderbouwd. In ieder geval is niet gesteld of gebleken dat eiser detentieongeschikt is. In reactie op het beroep heeft verweerder meegedeeld dat de overdracht van eiser aan Duitsland is gepland op 7 mei 2024. De overdracht van eiser zal dus binnen de geldende termijn van zes weken na het claimakkoord kunnen plaatsvinden.
6. Ook overigens is het de rechtbank niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2024:5038.
Als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening).