Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-25
ECLI:NL:RBDHA:2024:6577
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
933 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16446
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
Bij besluit van 21 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Hierin is meegedeeld dat eisers tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG eindigt.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.
Beoordeling
1. Er kan op een beroep worden beslist zonder een zitting te houden als sprake is van een kennelijke uitkomst. Dit staat in artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Deze situatie doet zich hier voor, gelet op het volgende.
2. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vw bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift vier weken. Eiser heeft het beroep echter pas op 15 april 2024 en daarmee (ruimschoots) buiten de termijn van vier weken ingediend.
3. Niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Met andere woorden: beoordeeld moet worden of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Er zijn in dit geval geen redenen aanwezig om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
4. Eiser stelt dat hij niet tijdig beroep heeft ingesteld omdat het terugkeerbesluit niet rechtsgeldig is. Een terugkeerbesluit beoogt de vaststelling van illegaal verblijf, terwijl zijn tijdelijke bescherming nog doorloopt in afwachting van de beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen. Ook stelt hij dat deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, verzoeken om voorlopige voorzieningen toewijst in vergelijkbare situaties waarbij het beroep te laat ingediend zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat dit onvoldoende is om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De beschikking van 21 februari 2024 is immers een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het is erop gericht om rechtsgevolgen in het leven te roepen en daartegen kan een rechtsmiddel aangewend worden. Indien eiser van mening is dat het besluit niet rechtsgeldig is, is het aan hem om uiterlijk binnen vier weken een beroepschrift in te dienen.
5. Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Algemene wet bestuursrecht.
Vreemdelingenwet 2000.