Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:601
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,335 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.425
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Faber), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: L. Verhaegh).
Procesverloop
Verweerder heeft op 7 november 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1993] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 29 december 2023 (in de zaak NL23.39876) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is. Op 29 november 2023 is een aanvraag voor de afgifte van een laissez passer (lp) ingediend bij de diplomatieke vertegenwoordiging van Marokko. Ondanks dat er wordt gerappelleerd hebben de Marokkaanse autoriteiten tot op heden niet gereageerd en is geen ontvangstbevestiging van de aanvraag afgegeven. Eiser heeft er geen enkel vertrouwen in dat de Marokkaanse autoriteiten binnen redelijke termijn zullen reageren op de aanvraag voor een lp. De maatregel van bewaring dient dan ook onmiddellijk te worden opgeheven met toekenning van een schadevergoeding, aldus eiser.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Zicht op uitzetting
6. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is. De rechtbank stelt daarbij voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen aanwezig is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat dit in eisers geval anders is. De lp-aanvraag van 29 november 2023 loopt nog en uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder regelmatig rappelleert op de lp-aanvraag, waarvan het meest recente rappel op 2 januari 2024 was. Het gegeven dat de Marokkaanse autoriteiten (nog) niet hebben gereageerd, is onvoldoende voor de conclusie het zicht op uitzetting in het individuele geval van eiser ontbreekt. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. De rechtbank stelt verder vast dat op eiser een vertrekplicht rust. Het is aan eiser om hier invulling aan te geven. In dit verband mag onder meer van eiser worden verwacht dat hij zijn best doet aan documenten te komen waarmee zijn identiteit en nationaliteit kunnen worden vastgesteld of onderbouwd. Uit het dossier blijkt niet dat eiser aan deze medewerkingsplicht heeft voldaan. Verweerder is daarom voor het bewerkstelligen van het vertrek van eiser afhankelijk van de medewerking van de Marokkaanse autoriteiten. Gelet op het vorenstaande slaagt deze beroepsgrond niet.
Ambtshalve toetsing
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om, ambtshalve toetsend, te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 januari 2024
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.