Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-16
ECLI:NL:RBDHA:2024:5423
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,135 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15968
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. C. Mayne),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Inleiding
1. De staatssecretaris heeft verzoeker bericht dat de tijdelijke bescherming eindigt op 4 maart 2024. Verzoeker is het daar niet mee eens en heeft daartegen beroep (AWB 24/7707) ingesteld. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 10 april 2024 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij recht op opvang en werken behoudt, totdat uitspraak is gedaan op het beroep.
2. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak, omdat onverwijlde spoed dat vereist.
Beoordeling
3. In een uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van deze groep derdelanders van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Bij uitspraken van 27 maart 2024 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank dit oordeel gevolgd.
4. Sinds deze uitspraken van 27 maart 2024 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, bij verwijzingsuitspraak van 29 maart 2024, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
De Afdeling heeft mede om die reden bij uitspraken van 2 april 2024, de door derdelanders gevraagde voorlopige voorzieningen toegewezen, met de volgende motivering:
“Gelet op de door de zittingsplaats Amsterdam gestelde prejudiciële vragen die specifiek gaan over de duur van de tijdelijke bescherming, de zeer uiteenlopende en verschillend gemotiveerde oordelen van bestuursrechters in de andere zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag hierover, de gevolgen daarvan en de belangen die de vreemdeling en de staatssecretaris naar voren hebben gebracht, acht de voorzieningenrechter van de Afdeling het afwachten van de beantwoording van de prejudiciële vragen aangewezen en treft hij een voorlopige voorziening. In afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen houdt hij het hoger beroep van de vreemdeling aan en bepaalt hij dat de vreemdeling de tijdelijke bescherming behoudt bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten. Dit betekent dat de vreemdeling niet uit Nederland hoeft te vertrekken, dat hij zijn recht op opvang behoudt en dat hij mag blijven werken, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist.”
5. Gelet op de Afdelingsuitspraken van 2 april 2024 en ter voorkoming van rechtsongelijkheid binnen deze groep derdelanders, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Dat betekent dat verzoeker de tijdelijke bescherming behoudt als bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, dat hij niet uit Nederland hoeft te vertrekken, het recht op opvang behoudt en mag blijven werken, totdat op het door verzoeker ingestelde beroep is beslist.
6. De voorzieningenrechter veroordeelt de staatssecretaris in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- bepaalt dat verzoeker wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op hem van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
Dictum
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
ECLI:NL:RVS:2024:32.
ECLI:NL:RBDHA:2024:4264, ECLI:NL:RBDHA:2024:4265 en ECLI:NL:RBDHA:2024:4276.
ECLI:NL:RBDHA:2024:4394.
Bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2024:1366.