Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-05
ECLI:NL:RBDHA:2024:5172
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,743 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.40576
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], eiser, V-nummer: [v-nummer 1]
[naam 2]
, eiseres, V-nummer: [v-nummer 2]
mede namens hun minderjarige kinderen [kind 1] en [kind 2]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. J.R. Vreijsen).
Inleiding
In het besluit van 30 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2024 op een zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Beoordeling
1. Eisers zijn geboren op respectievelijk [geboortedag 1] 1982 en [geboortedag 2] 1979 en hebben de Marokkaanse nationaliteit. Zij hebben op 18 januari 2023 aanvragen ingediend voor een visum voor kort verblijf in Nederland.
2. In twee besluiten van 20 januari 2023 (de primaire besluiten) heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. In deze besluiten heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eisers het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf in Nederland onvoldoende hebben aangetoond, dat zij niet over voldoende middelen beschikken voor het verblijf in Nederland en de terugreis, en dat er twijfel bestaat over het voornemen om Nederland vóór het verstrijken van het visum te verlaten.
3. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft eisers niet gehoord over hun bezwaar. In het bestreden besluit werpt verweerder alleen nog aan eisers tegen dat zij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf in Nederland onvoldoende hebben aangetoond. Bij de aanvraag is toerisme als reisdoel vermeld, maar de reservering voor verblijf in een vakantiepark is geannuleerd en er is geen nieuwe reservering overgelegd. Ook hebben eisers niet aangetoond wat zij in Nederland willen komen doen en hebben zij geen reisplan overgelegd. In bezwaar lijkt het reisdoel te worden gewijzigd in familiebezoek en dit doet volgens verweerder twijfel rijzen over de betrouwbaarheid van de door eisers verstrekte informatie.
4. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. De reservering voor het vakantiepark is geannuleerd door een bemiddelingsbureau en daar zijn eisers later van op de hoogte gesteld. Vervolgens is gebleken dat eisers in Nederland bij familieleden kunnen verblijven. Het reisdoel betreft dan ook toerisme in combinatie met familiebezoek. Een reisplan kan pas worden gemaakt als duidelijk is in welke periode eisers naar Nederland kunnen komen. Verweerder heeft volgens eisers in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nagelaten om de nodige feiten te verzamelen. Nu een gebrek aan middelen en vestigingsgevaar niet meer wordt tegengeworpen, kan geen sprake zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar. Er is dan ook volgens eisers ten onrechte niet gehoord in bezwaar. Hierbij wijzen eisers op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
5. In het verweerschrift heeft verweerder onder verwijzing naar eerdere uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats het volgende meegedeeld. Als familiebezoek het reisdoel is geworden, moet er een nieuwe aanvraag worden ingediend waarbij de benodigde stukken worden overgelegd ten aanzien van garantstelling, particuliere logiesverstrekking en de onderbouwing van de familierelaties. Het doel en de omstandigheden van het verblijf van eisers in Nederland is onvoldoende aangetoond, en dit is een zelfstandige afwijzingsgrond. Gelet op wat in bezwaar is aangevoerd, was er geen aanleiding om eisers te horen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. In artikel 32, eerste lid, van de Verordening (EG) Nr. 810/2009 (Visumcode) staat dat een visum wordt geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe. De bestuursrechter kan de overwegingen van verweerder daarom slechts terughoudend toetsen. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.
7. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat het reisdoel in de bezwaarfase is verduidelijkt. Waar in de aanvragen enkel wordt gesproken over toerisme, wordt in bezwaar (mede) gesproken over familiebezoek. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat de daarbij behorende stukken ten aanzien van garantstelling, logiesverstrekking en de familiebanden echter ontbreken. Daar komt nog bij dat eisers niet inzichtelijk hebben gemaakt wat zij precies in Nederland willen komen doen. Dat zij niet weten in welke periode zij precies naar Nederland kunnen komen, laat onverlet dat zij dit in ieder geval op hoofdlijnen zouden moeten kunnen aangeven. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat eisers het doel en de omstandigheden van hun voorgenomen verblijf in Nederland onvoldoende hebben aangetoond.
8. Gelet op het voorgaande lag het niet op de weg van verweerder om verdere feiten te verzamelen. Er is dan ook niet in strijd met artikel 3:2 van de Awb gehandeld. Ook heeft verweerder zonder twijfel kunnen vaststellen dat het bezwaar van eisers geen aanleiding gaf voor een ander besluit dan de primaire besluiten, namelijk het afwijzen van de visa. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb heeft verweerder daarom mogen afzien van het horen van eisers in bezwaar. De enkele omstandigheid dat twee eerdere tegenwerpingen niet zijn gehandhaafd is geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat de uitkomst hetzelfde is gebleven.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Het bestreden besluit blijft in stand. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.