Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-16
ECLI:NL:RBDHA:2024:511
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,586 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.40293
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. P.E.J.M. Bartels),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 21 december 2023 waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, via een beeldverbinding, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het opleggen van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Mocht eiser opgehouden worden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000?
4. Eiser voert aan dat het doel van de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 onduidelijk is vanwege het eerstelijnsverhoor dat op 20 december 2023 heeft plaatsgevonden tijdens de strafrechtelijke detentie. Om die reden is de maatregel van bewaring onrechtmatig volgens eiser.
4.1.
De in artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 geregelde ophouding strekt ertoe dat een vreemdeling waarvan de identiteit onmiddellijk kan worden vastgesteld en indien blijkt dat deze persoon geen dan wel niet onmiddellijk blijkt dat hij rechtmatig verblijf heeft, overgebracht mag worden naar een plaats bestemd voor verhoor.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 20 december 2023 strafrechtelijk is aangehouden. Uit het proces-verbaal van verhoor van 20 december 2023 volgt dat eiser om 15:24 is gehoord in het Politie Cellen Complex (PCC) Houten om het onderzoek te starten met betrekking tot eisers identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Dit betreft een eerstelijns verhoor dat is uitgevoerd door de vreemdelingenpolitie. Dit gehoor is kort na aanvang om 15:32 uur afgebroken, omdat eiser niet meewerkte. Verder staat in het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en overdracht van 21 december 2023 dat eiser is overgenomen en opgehouden, aansluitend op strafrechtelijke heenzending. Uit dit proces-verbaal volgt dat eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 omdat zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld en dat het bleek dat eiser geen rechtmatig verblijf had.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser met toepassing van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 mocht worden opgehouden. Omdat eisers identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld en bleek dat eiser geen rechtmatig verblijf had, is eiser overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor om zijn inbewaringstelling voor te bereiden. Daarmee is het doel van de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 gegeven. Dat er voor de ophouding een eerstelijns verhoor heeft plaatsgevonden maakt dit niet anders. Dit verhoor had immers een ander doel, namelijk onderzoek doen naar eisers identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
5. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De staatssecretaris heeft, onder verwijzing naar het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5.1.
De staatssecretaris heeft op de zitting de zware gronden 3f en 3h en de lichte grond 4b laten vallen. Deze gronden liggen dus niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag.
5.2.
Eiser betwist de zware gronden 3a, 3c en 3d en de lichte gronden 4c en 4d. Ten aanzien van de zware grond 3a voert eiser aan dat deze onvoldoende is gemotiveerd, omdat hieruit niet het risico op onderduiken volgt. Ten aanzien van de zware grond 3c voert eiser aan dat deze geen stand kan houden omdat eiser niet bekend was met het terugkeerbesluit. Deze is niet persoonlijk aan eiser uitgereikt, waardoor hij niet bekend was met de uiterlijke vertrektermijn. De zware grond 3d kan ook geen standhouden volgens eiser, omdat er geen sprake is van moedwillig niet meewerken. Daarnaast is er een kopie van eisers geboorteakte aanwezig in het dossier. Tot slot voert eiser aan ten aanzien van de lichte gronden 4c en 4d dat uit de motivering niet het risico op onderduiken volgt.
5.3.
Wat eiser aanvoert, geeft geen aanleiding om de gronden van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat de zware gronden 3a en 3c feitelijk juist zijn. Het betoog van eiser dat de zware grond 3a geen stand kan houden omdat uit de motivering het risico op onttrekking niet blijkt, volgt de rechtbank niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt namelijk dat de feitelijke juistheid van deze grond voldoende is om deze ten grondslag te kunnen leggen aan de maatregel. De zware grond 3a is feitelijk juist omdat eiser geen grensoverschrijdend document heeft kunnen overleggen bij zijn asielaanvraag. Ook heeft eiser in het proces-verbaal van gehoor van 21 december 2023 verklaard dat hij niet in het bezit is van een identiteitsdocument waaruit blijkt wie hij is en of hij rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Omdat er geen grensoverschrijdend document is overgelegd, is niet te controleren dat eiser op voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris in de praktijk (vrijwel) nooit in staat is om feitelijk vast te stellen dat een vreemdeling Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan. Een redelijke uitleg van deze grond brengt daarom mee dat ook indien de staatssecretaris op goede gronden vermoedt dat dat het geval is, die grond aan de maatregel van bewaring ten grondslag kan worden gelegd. Eiser heeft dit vermoeden niet met geloofwaardige middelen weerlegd. Daarmee heeft de staatssecretaris voldoende gemotiveerd dat het vermoeden bestaat dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser ten aanzien van de zware grond 3c zo dat de beschikking van 13 februari 2023, waarin het terugkeerbesluit is opgenomen, niet op de juiste wijze bekend is gemaakt aan eiser. De rechtbank stelt vast dat de beschikking op 13 februari 2023 aan eisers gemachtigde is verzonden en verder ter inzage is gelegd bij het AC Ter Apel in overeenstemming met het beleid van paragraaf C1/2.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000. De staatssecretaris heeft zich op de zitting terecht op het standpunt gesteld dat het feit dat eiser meermaals met onbekende bestemming is vertrokken en om die reden geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de beschikking voor zijn eigen rekening en risico komt. Eiser heeft dit niet gemotiveerd betwist. Omdat de zware gronden 3a en 3c feitelijk juist zijn, zijn deze voldoende als grondslag voor de maatregel van bewaring. De rechtbank beoordeelt daarom de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inbewaringstelling van eiser rechtmatig is en de staatssecretaris geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzitter, rechter, in aanwezigheid vanmr.S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
In het bijzonder artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb 2000.
Zie ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, r.o.15.1..
ABRvS 29 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2270.
ABRVS 4 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1505.
Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.