Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-05
ECLI:NL:RBDHA:2024:4846
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
1,187 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.8504 en NL24.10432
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer eiseres] , hierna: eiseres,
mede namens haar minderjarige kinderen:
[naam kind 1] , V-nummer: [V-nummer kind 1] en
[naam kind 2] ,
V-nummer: [V-nummer kind 2]
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. D. Gökcan).
Inleiding
Bij besluit van 29 februari 2024 heeft de staatssecretaris de aanvraag van eiseres en haar twee minderjarige kinderen niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiseres en haar twee minderjarige kinderen hebben beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 5 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
De staatssecretaris heeft de rechtbank op 22 maart 2024 gemeld dat eiseres en haar twee minderjarige kinderen met onbekende bestemming zijn vertrokken. Daarbij verwijst de staatssecretaris naar de bij de brief gevoegde printscreens, waaruit blijkt dat eiseres met haar twee minderjarige kinderen op 12 maart 2024 met onbekende bestemming is vertrokken.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of eiseres en haar twee minderjarige kinderen nog procesbelang hebben.
De gemachtigde van eiseres heeft op 28 maart 2024 aan de rechtbank laten weten dat eiseres en haar kinderen met onbekende bestemming zijn vertrokken. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat hij geen contact meer met haar heeft en niet weet waar zij verblijft.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt het volgende. Wanneer een vreemdeling, die een asielaanvraag heeft ingediend, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de staatssecretaris te laten weten waar hij verblijft, kan er in principe vanuit worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem in eerste instantie gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit houdt in dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
In dit geval heeft eiseres (samen met haar twee kinderen) de opvang verlaten, de staatssecretaris en gemachtigde niet op de hoogte gesteld van hun verblijfplaats en heeft zij ook geen contact meer met haar gemachtigde. Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiseres en haar minderjarige kinderen geen prijs meer stellen op bescherming in Nederland. Daarom is er geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Het beroep is niet-ontvankelijk. Aangezien op het beroep is beslist, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. De rechtbank wijs het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat het beroep niet-ontvankelijk is en de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2024 door mr. V.A.G. van Dijk, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.C. ten Hoopen, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld, voor zover het de hoofdzaak betreft, bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:579).
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.