Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:4249
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,912 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.37040 en NL23.37151
uitspraak van de enkelvoudige kamer 27 maart 2024 in de zaak tussen
[eiser 1] , v-nummer: [nummer]
en
[eiseres]
, v-nummer: [nummer] ,
ook namens hun minderjarige kinderen
[eiser 2]
, v-nummer: [nummer] ,
[eiser 3]
, v-nummer: [nummer] ,
[eiser 4]
, v-nummer: [nummer] ,
samen: eisers
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: [naam gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet-ontvankelijk verklaren van hun asielaanvragen. Zij hebben op 21 juni 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit van 17 november 2023 deze aanvragen niet-ontvankelijk verklaard omdat eisers al internationale bescherming in Italië genieten.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 februari 2024, samen met de zaken NL23.37041 en NL23.37152, op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen. Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van hun beroepsgronden.
De beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft
Mag de staatssecretaris voor Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
3. Eisers voeren aan dat de staatssecretaris voor Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan, omdat in Italië sprake is van systeemgerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Eisers vrezen weer in dezelfde situatie terecht te komen, waarin het vinden van werk onmogelijk was, de huur niet kon worden betaald en eisers op straat zijn gezet. Eisers stellen dat zij als gezin met minderjarige kinderen bijzonder kwetsbaar zijn en bij terugkeer terechtkomen in een situatie van verregaande materiële deprivatie. De huisvesting die hen in Italië was toegewezen was ondermaats en hulp bij het zoeken van een huis of werk werd niet geboden. Ter onderbouwing hiervan verwijzen eisers naar filmpjes en foto’s. De staatssecretaris is hier volgens eisers niet gemotiveerd op ingegaan. Eisers stellen dat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 augustus 2023, waarin is geoordeeld dat in het geval van Dublinclaimanten voor Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, ook voor statushouders moet gelden. Daarnaast wijzen eisers op een circulaire van de Italiaanse overheid waarin wordt medegedeeld dat de opvang van statushouders stopgezet wordt om opvangcentra vrij te maken en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, waarin deze circulaire een rol speelde en het beroep gegrond is verklaard.
3.1.
Het betoog van eisers slaagt niet. De staatssecretaris mag ten aanzien van statushouders uit Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. Daartoe wordt gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2022 (herhaald door de Afdeling op 8 mei 2023 en 27 november 2023) waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat voor Italië voor statushouders nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden omdat niet aannemelijk is dat de positie van statushouders in Italië zo slecht is dat deze in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. Eisers zijn er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat dit in hun geval anders is. De verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 10 augustus 2023 treft geen doel nu deze uitspraak ziet op Dublinclaimanten. Bij de beoordeling of voor statushouders nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, geldt namelijk een ander toetsingskader. Statushouders hebben in principe dezelfde rechten als burgers van Italië en moeten aannemelijk kunnen maken dat zij niet in staat zijn om die rechten te effectueren. Eisers zijn er niet geslaagd aannemelijk te maken dat de Italiaanse autoriteiten niet kunnen of willen helpen bij het vinden van werk en een andere woning. De overgelegde beeldopnames van de woning zijn daarvoor onvoldoende. Dat geldt ook voor de overgelegde appjes over de beschikbaarheid van huisvesting. Van eisers mag worden verwacht dat zij bij de Italiaanse autoriteiten klagen en als dat niet slaagt dat zij zich richten tot organisaties die statushouders ondersteunen.
Eisers hebben ook niet aannemelijk kunnen maken dat zij bijzonder kwetsbaar zijn. De enkele onderbouwing dat zij een gezin met minderjarige kinderen vormen is daarvoor onvoldoende.
In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.
Dat geldt ook voor de verwijzing naar de circulaire van de Italiaanse autoriteiten inhoudende dat statushouders de opvang moeten verlaten. Deze circulaire betreft een bevestiging van al bestaande regionale wetgeving in Italië en is dus geen nieuwe ontwikkeling in de situatie van statushouders in Italië. De circulaire is bedoeld om statushouders te laten uitstromen uit de asielopvang zodat er ruimte ontstaat voor asielzoekers. De circulaire heeft niet tot gevolg dat er niet langer huisvesting wordt gegeven aan statushouders.
Conclusie
4. De staatssecretaris heeft de aanvragen terecht niet-ontvankelijk verklaard.
De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvragen van eisers in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Engberts, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In lijn met artikel 30a, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
Dit is het criterium dat door het HvJ EU is gegeven in het arrest van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, par. 93 (Ibrahim).
ABRvS 10 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3080.
Rb Den Haag, zp ’s-Hertogenbosch 22 december 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:6025.
ABRvS 24 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1788, 8 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1771 en 27 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4374.