Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:369
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,027 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.234
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 14 november 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring op 3 januari 2024 beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 8 januari 2024.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1995 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 november 2023 in de zaak NL23.36308 volgt dat de maatregel van bewaring tot 22 november 2023, het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Eiser moet immers eerst nog bij de Marokkaanse autoriteiten in persoon worden gepresenteerd alvorens er op de LP-aanvraag wordt beslist. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat deze presentatie nog niet is gepland. Ook als eiser wordt gepresenteerd, staat het allerminst vast dat de Marokkaanse autoriteiten onmiddellijk een LP zullen afgeven.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. De reden hiervoor is dat de afgifte van een LP niet alleen afhankelijk is van de presentatie in persoon. Eiser heeft verklaard te willen terugkeren naar Marokko. Hij kan dus zelf initiatieven ontwikkelen om zijn terugkeer te versnellen. Nu hij dit nalaat en alleen wacht tot verweerder een presentatie in persoon voor hem regelt, in combinatie met de relatief beperkte tijd die is verstreken sinds de verzenddatum van het LP verzoek, kan niet worden gezegd dat er geen redelijk zicht is op verwijdering. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
6. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2023:18538.