Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:3103
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
942 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.7025
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Verweerder heeft op18 januari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 29 februari 2024 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1994 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 1 februari 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring sinds dat moment, 31 januari 2024, rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Op 17 januari 2024 is de aanvraag voor lp voor eiser verstuurd naar DIA en pas twaalf dagen later is de aanvraag, voor zover dat dat daadwerkelijk is gebeurd, ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Daarnaast is niet gebleken dat verweerder sindsdien navraag heeft gedaan bij de Marokkaanse autoriteiten, terwijl inmiddels een maand verstreken is.
Beoordeling
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser naar Marokko. Anders dan eiser stelt blijkt uit het voortgangsrapport dat verweerder op 13 februari 2024 heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten over de lp-aanvraag voor eiser. Daarnaast is er op 14 februari 2024 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
7. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2024:1342.
Laissez-passer.
Directie Internationale Aangelegenheden.