Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:2893
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,443 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.6337
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Verweerder heeft op 19 november 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 26 februari 2024 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1982 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 10 januari 2024 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko. Daarnaast werkt verweerder onvoldoende voortvarend aan het vertrek. Zo is er nog geen presentatie ingepland, is er sinds 2 januari 2024 niet meer individueel gerappelleerd en is het standaardmatig rappelleren onvoldoende. Daarbij had verweerder de correspondentie tussen de Dienst internationale aangelegenheden (DIA) en de Marokkaanse overheid moeten overleggen. Bovendien blijkt eisers nationaliteit uit het verlopen paspoort. Eiser hoeft daarom geen medewerking meer te verlenen. Marokko had zijn nationaliteit daarom moeten bevestigen.
5. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het algemeen oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko ontbreekt. Hiervan is ook in de specifieke situatie van eiser geen sprake. Het enkele verstrijken van de tijd sinds het indienen van de lp-aanvraag leidt zonder nadere aanknopingspunten niet op voorhand tot twijfel over de vraag of de Marokkaanse autoriteiten in het geval van eiser een lp zullen afgeven. Ook het gegeven dat eisers nationaliteit nog niet is bevestigd, ondanks het overleggen van een verlopen paspoort, leidt niet tot het oordeel dat op voorhand vast kan worden gesteld dat de Marokkaanse autoriteiten zullen weigeren een lp te verstrekken. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding verweerder op te dragen de correspondentie tussen de DIA en de Marokkaanse autoriteiten te overleggen.
6. De rechtbank stelt vast dat er regelmatig een rappel wordt verzonden (de laatste dateert van 13 februari 2024). Ook worden er vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Uit de vertrekgesprekken blijkt bovendien dat eiser weigert mee te werken aan het versnellen van het proces. Verweerder is bij het bevestigen van eisers nationaliteit en het verkrijgen van een lp voor eiser afhankelijk van de medewerking van zowel eiser als de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat er onvoldoende voortvarend wordt gehandeld.
7. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Vreemdelingenwet 2000.
Zie de uitspraak van deze zittingsplaats van 11 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19892 en de uitspraak van 17 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:649.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3033).
Laissez-passer.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en - in aansluiting hierop - ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.