Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-05
ECLI:NL:RBDHA:2024:2872
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,506 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.4778
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
alias:
[naam 2]
,
geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. A.A. Wildeboer).
Inleiding
1. Bij besluit van 8 februari 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond in de algemene procedure op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Verder is in het bestreden overwogen dat het reeds eerder opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod nog steeds geldig zijn.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
Op 28 februari 2024 heeft verweerder een brief met een uitdraai uit de systemen in het digitale dossier geüpload, waaruit blijkt dat eiser op 28 januari 2024 met onbekende bestemming is vertrokken.
1.3.
De gemachtigde van eiser heeft via een bericht in het digitale dossier desgevraagd aangegeven dat hij geen contact meer kan krijgen met eiser.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep.
2.1.
Namens eiser is aangevoerd dat er in onderhavige procedure sprake is van procesbelang, omdat eisers aanvraag niet had mogen worden afgewezen maar buiten behandeling gesteld had moeten worden.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat dit slechts anders is als de vreemdeling laat weten dat hij contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. Dit geldt ook voor een bij een asielbesluit uitgevaardigd inreisverbod. In de uitspraak van 30 oktober 2023 verwijst de Afdeling -onder meer- naar haar eerdere uitspraak van 16 september 2021. Uit deze uitspraak volgt dat als een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, ook voor de vraag of sprake is van een procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep gericht tegen het inreisverbod van belang is dat de vreemdeling zijn gemachtigde gedurende de gehele procedure op de hoogte houdt van zijn verblijfsplaats en met hem steeds contact onderhoudt over de voortgang van de procedure en de keuzes die in dat kader moeten worden gemaakt.
3.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Verder stelt de rechtbank vast dat de gemachtigde van eiser geen contact meer met hem heeft en -ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld- evenmin informatie heeft verstrekt over de verblijfplaats van eiser. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het standpunt namens eiser dat hij wel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep, omdat verweerder de aanvraag niet kennelijk ongegrond had moeten verklaren maar buiten behandeling, raakt de inhoud van het beroep. Nu er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling geen procesbelang meer is komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep en derhalve ook niet aan de vraag of verweerder de aanvraag buitenbehandeling had moeten stellen.
Conclusie
4. Eiser heeft geen procesbelang bij zijn onderhavige beroep. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2023:3988.
ECLI:NL:RVS:2021:2090.