Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:2803
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,247 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.3325
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,
geboren op [geboortedatum]
van Tunesische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
1. Bij besluit van 30 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 februari 2024 op zitting behandeld, tezamen met zaaknummer NL24.3326. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
2. Eiser is van Tunesische nationaliteit en heeft op 16 december 2023 asiel aangevraagd.
2.1.
Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser is afkomstig uit Tunesië, een veilig land van herkomst.
3. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep.
3.1.
Bij bericht van 19 februari 2024 heeft verweerder, onder verwijzing naar een ingediende bijlage van een schermafdruk van het registratiesysteem, bericht dat eiser sinds 2 februari 2024 met onbekende bestemming is vertrokken.
3.2.
De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 19 februari 2024 een aantal vragen gesteld ter beoordeling van het procesbelang. De gemachtigde van eiser heeft op 21 februari 2024 bericht dat hij op 20 februari 2024 nog contact heeft gehad met eiser die daarop aangaf aanwezig te zullen zijn op de zitting. Ook is aangegeven dat eiser nog immer belang heeft bij de procedure.
3.3.
Ter zitting is eiser niet verschenen. Desgevraagd liet de gemachtigde van eiser weten dat hij de dag voor zitting nog contact met eiser heeft gehad en dat hij niet weet waar eiser verblijft.
4. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de staatssecretaris te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel vanuit worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en dat hij met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
4.1.
De rechtbank overweegt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken sinds 2 februari 2024. Eiser is anders dan aangekondigd niet verschenen ter zitting. Nu niet is gebleken dat eisers gemachtigde weet dat eiser nog in Nederland verblijft en waar hij verblijft, concludeert de rechtbank eiser kennelijk geen prijs meer stelt op internationale bescherming in Nederland. Er is daarom geen procesbelang, zodat het beroep niet-ontvankelijk is. De rechtbank komt dan ook niet toe aan het overige wat door eiser (inhoudelijk) is aangevoerd.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3988.