Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:2597
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,551 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.260
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. S. Kowsari).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 januari 2024 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1. De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn twee broers, de gemachtigde van eiser, R. Najjar als tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland op 31 oktober 2023 bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek op 7 november 2023 aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Indiening claimverzoek
5. Eiser voert aan dat zijn vingerafdrukken niet binnen 72 uur na het indienen van de asielaanvraag zijn afgenomen. De staatssecretaris heeft daarmee in strijd gehandeld met artikel 9 van de Eurodacverordening. Dit heeft als gevolg dat de staatssecretaris ook in strijd met artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening heeft gehandeld, omdat het verzoek tot terugname daardoor niet “zo snel mogelijk” is ingediend. Omdat het claimverzoek niet “binnen de termijnen” in het tweede lid is ingediend, volgt volgens eiser uit artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor zijn asielaanvraag.
Eiser stelt ook voor dat de rechtbank een prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie van de EU, omdat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 januari 20242 niet klopt.
6. De rechtbank wijst er als eerste op dat uit artikel 23, tweede en derde lid, van de Dublinverordening niet volgt dat de in de Eurodacverordening neergelegde termijnen voor het afnemen van vingerafdrukken (72 uur) en het afwachten van een reactie van het Eurodac
-systeem (24 uur) bepalend zijn voor het moment waarop een terugnameverzoek moet worden ingediend. Ook volgt uit de Dublinverordening niet dat wanneer een terugnameverzoek wordt ingediend na ommekomst van de optelsom van deze termijnen de verantwoordelijkheid voor het behandelen van het asielverzoek overgaat op de lidstaat waar het nieuwe verzoek is ingediend.3 Er moet dus worden gekeken of het claimverzoek in het geval van eiser binnen de termijnen van de Dublinverordening is ingediend.
7. Artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening bepaalt dat een verzoek tot terugname zo snel mogelijk wordt ingediend en in ieder geval binnen twee maanden na ontvangst van de Eurodac-treffer. Indien het verzoek om terugname is gebaseerd op ander bewijs dan op de gegevens uit het Eurodac-systeem, dan moet het terugnameverzoek binnen drie maanden na de indiening van de asielaanvraag worden verzonden. Artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening bepaalt dat als het verzoek om terugname niet binnen de in het tweede lid vermelde termijnen wordt ingediend, de verantwoordelijkheid voor het behandelen van het asielverzoek overgaat op de lidstaat waar het nieuwe verzoek is ingediend.
8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat “zo snel mogelijk” in artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening als een afzonderlijke termijnstelling moet worden gezien naast de termijn “in ieder geval binnen twee maanden”. De woorden “binnen de termijnen” in artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening zien op de termijnen in het eerste onderdeel (termijn in geval van Eurodac-treffer) en tweede onderdeel (termijn bij ander bewijs dan een Eurodac-treffer) in het tweede lid. Als het terugnameverzoek niet binnen die termijnen van twee of drie maanden is ingediend, dan wordt de verzoekende lidstaat verantwoordelijk.
9. Eiser betoogt dat als overschrijding van de termijnen van de Eurodacverordening bij terugnameverzoeken zonder gevolg blijft, de lidstaten de mogelijkheid hebben om de claimtermijn op te schuiven waardoor afbreuk wordt gedaan aan de gewenste snelheid en het nuttig effect van de Dublinverordening. De rechtbank is het daar niet mee eens. Uit de
2ECLI:NL:RVS:2024:84.
3 ECLI:NL:RVS:2024:84, r.o. 1.2.
uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2024 volgt dat niet alleen bij overnameverzoeken, maar ook bij terugnameverzoeken geldt dat binnen drie maanden na indiening van het asielverzoek een verzoek tot terugname moet worden gedaan. Deze uitspraak is gebaseerd het arrest van het Hof van Justitie van 26 juli 2017 in de zaak Mengesteab4 waarin de termijnregeling bij overnameverzoeken aan de orde was. Uit deze uitspraak van de Afdeling volgt ook dat een overschrijding van de Eurodac-termijnen niet zonder gevolg blijft voor zover deze overschrijding bijdraagt aan het overschrijden van de maximale termijn van drie maanden na indiening van het asielverzoek.
10. Nu het duidelijk is hoe het unierecht moet worden toegepast, ziet de rechtbank geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Beantwoording van de vraag of er unierechtelijk rechtsgevolgen verbonden moeten worden aan overschrijding van de Eurodac-termijnen is, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet van belang voor de beantwoording van de vraag of de staatssecretaris in eisers zaak op grond van de Dublinverordening tijdig een terugnameverzoek heeft ingediend.
10. In het geval van eiser is het terugnameverzoek binnen twee maanden na de Eurodac- treffer op 4 september 2023 en binnen drie maanden na de loopbrief van 29 augustus 2023 verzonden. Het terugnameverzoek is dus tijdig ingediend. De rechtbank voegt daaraan toe dat ook als in deze zaak wordt uitgegaan van de start van de procedure met de loopbrief van 29 augustus 2023, 19:55 uur en van de termijn van 72 uur plus 24 uur, de termijn van twee maanden van artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening zou eindigen op 2 november 2023. Ook in dat geval is het claimverzoek dus tijdig ingediend. De beroepsgrond slaagt niet.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
12. Eiser voert aan dat ten aanzien van Bulgarije niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, met name vanwege de omstandigheden in de opvang en detentie. Eiser wijst hiertoe op zijn eigen ervaringen, de factsheet van EUAA van april 2023, het jaarlijkse rapport van de Bulgarian Helsinki Committee (BHC) van 5 juli 2023 en de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 december 20235 en zittingsplaats Zwolle van 3 oktober 20236. Eiser verzoekt subsidiair om de zaak aan te houden in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie op de prejudiciële vragen over de (on)deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
12. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris in zijn algemeenheid ten aanzien van alle lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat de staatssecretaris, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uit mag gaan dat alle lidstaten het unierecht en met name de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Het is daarom in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
Conclusie
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 februari 2024
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.