Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-08
ECLI:NL:RBDHA:2024:2580
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
2,944 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.39679
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1990. Hij heeft op 13 september 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 12 december 2023 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Er is ook een terugkeerbesluit genomen.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 24 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. El Majdoubi als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Voorgeschiedenis
2. Eiser heeft Syrië voor het eerst verlaten in 2009. Hij is toen naar de Verenigde Arabische Emiraten vertrokken om daar te gaan werken. In 2016 is eiser teruggekeerd naar Syrië.
2.1
Eiser heeft Syrië op 27 juli 2022 opnieuw verlaten. Hij is met behulp van een Russisch visum via Rusland naar Polen gereisd. Van daaruit is hij doorgereisd naar Nederland. Hier kwam hij op 5 september 2022 aan. De volgende dag heeft hij asiel aangevraagd.
2.2
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij filmmaker, kunstenaar en journalist is, maar dat hij zijn werk niet vrij kan uitvoeren omdat hij niet achter het regime staat. Daarnaast worden filmmakers geïntimideerd. Ook vreest eiser dat hij problemen krijgt omdat hij mensen heeft gefilmd en geïnterviewd voor een documentaire en vanwege zijn religie als Druus. Door de situatie heeft eiser psychische klachten.
Bestreden besluit
3. Verweerder heeft de volgende relevante elementen vastgesteld:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Eiser heeft gewerkt als kunstenaar.
Het eerste relevante element wordt geloofwaardig geacht. Verweerder vindt het daarmee ook geloofwaardig dat eiser Druzisch is. Het tweede relevante element vindt verweerder ook geloofwaardig. Hiermee is eiser echter geen vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Dat eiser uit Syrië komt is hiervoor niet voldoende en dat eiser Druus is, was geen reden voor zijn vertrek. Ook geldt het algemene uitgangspunt dat iemand uit Syrië een risico loopt op ernstige schade niet voor eiser. Hij is immers in 2016 vrijwillig teruggekeerd naar Syrië. Bovendien blijkt uit landeninformatie dat eisers woonplaats Suweida altijd onder controle van het regime is gebleven. En ook dat het er relatief rustig is gebleven vanaf het ontstaan van het conflict in Syrië, met uitzondering van een aanval van IS in 2018. Eiser heeft verklaard deze aanval niet te hebben meegemaakt. De door eiser overgelegde bronnen tonen niet aan dat de veiligheidssituatie inmiddels anders is. Ook heeft eiser zijn dienstplicht afgekocht. Dat eiser in Syrië niet alles heeft kunnen doen wat hij wilde als kunstenaar/documentairemaker is in dit kader niet relevant. Eiser heeft zeven jaar zonder problemen in Syrië kunnen wonen en zijn werk kunnen uitvoeren. Het is ook niet aannemelijk dat eiser door zijn werk in de negatieve aandacht van de Syrische autoriteiten is gekomen. Eiser heeft zich namelijk niet politiek uitgesproken en hij kon legaal het land in- en uitreizen. Hij is ook niet te zien of te horen in de inmiddels uitgebrachte promotievideo voor zijn documentaire en zijn achternaam wordt niet genoemd. Verwacht wordt volgens verweerder dat eiser zonder problemen kan terugkeren. De aanvraag is daarom afgewezen als ongegrond.
Mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er in het geval van eiser geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië. Ter toelichting dient het volgende.
4.1
In het Algemeen Ambtsbericht over Syrië (hierna: het Ambtsbericht) staat informatie over Syriërs die terugkeerden naar regeringsgebied. Volgens het Ambtsbericht konden zij worden geconfronteerd met een groot aantal mensenrechtenschendingen door de Syrische autoriteiten. Omdat er geen structurele monitoring van teruggekeerde Syriërs is en er geen zicht is op alle teruggekeerde Syriërs konden bronnen geen exacte cijfers geven van de verschillende mensenrechtenschendingen. De schattingen lopen uiteen van enkele tientallen tot enkele honderden. Verder liepen bepaalde groepen een groter risico op arrestatie, (tijdelijke) detentie, ondervraging, marteling en aanklachten van terrorisme door de Syrische autoriteiten als ze naar Syrië terugkeerden. Het ging hier volgens het Ambtsbericht onder meer om degenen die terugkeren uit landen die door de Syrische autoriteiten als vijandig worden gezien. Hoe groter de Syrische autoriteiten iemand als een gevaar voor de huidige machtshebbers zagen vanwege zijn of haar oppositionele activiteiten en/of andere gedragingen, des te groter was het risico om problemen bij terugkeer te ondervinden. Een exact profiel van welke factoren hier van invloed op zijn en welke maatstaven de autoriteiten hier hanteren kon door de bronnen echter niet gegeven worden. Informatie over de controles, procedures en behandeling bij inreis in Syrië voor terugkerende Syriërs is voorts zeer beperkt. Over de risico’s bij terugkeer na verblijf in een westers land vermeldt het Ambtsbericht dat volgens sommige bronnen het feit dat iemand vanwege de algemene situatie in Syrië het land had verlaten, al de aandacht van de autoriteiten kon trekken. Veel mensen die terugkeerden, probeerden hun eventuele asielaanvraag in het Westen of elders geheim te houden. Het kwam echter voor dat Syriërs die in het Westen asiel hadden gekregen, terugkeerden – permanent en tijdelijk – naar Syrië en daar geen problemen met de autoriteiten hadden ondervonden. Vertrouwelijke bronnen verklaarden hierover dat deze personen doorgaans regeringsgezind waren of in ieder geval geen angst hadden om naar overheidsgebied terug te keren. Over de gevolgen voor de veiligheidssituatie of sociale situatie bij terugkeer in de andere controlegebieden na verblijf in een westers land kan geen eenduidig beeld geschetst worden, aldus nog steeds het Ambtsbericht.
4.2
In de paragraaf C7/33.4.4 van de Vc staat het volgende.
“De IND neemt aan dat een vreemdeling uit Syrië bij of na terugkeer vanuit het buitenland in beginsel een reëel risico loopt op ernstige schade. Op grond hiervan komt een vreemdeling uit Syrië in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.
Dit algemene uitgangspunt geldt niet in de volgende gevallen:
− De vreemdeling is een actieve aanhanger van het regime; of
− Uit de individuele feiten en omstandigheden is gebleken dat de vreemdeling bij of na terugkeer naar Syrië geen risico (meer) loopt op ernstige schade. Hiervan is in het bijzonder sprake indien betrokkene na een eerder vertrek uit Syrië is teruggereisd naar Syrië.”
4.3
Het beleid is verder uitgewerkt in IB 2023/19 Syrië, handvatten beoordeling artikel 3 risico bij of na terugkeer. In de toelichting opgenomen in het IB staat dat het beeld van en de informatie over risico dat contact met de autoriteiten bij of na terugkeer met zich mee brengt en de algemene veiligheidssituatie in Syrië niet eenduidig is. Daarom geldt het uitgangspunt dat Syrische asielzoekers het voordeel van de twijfel krijgen als het gaat om de vraag of zij in Syrië een reëel risico lopen op ernstige schade. Het uitgangspunt geldt niet als een vreemdeling na een verblijf in het buitenland tijdelijk is teruggekeerd naar Syrië en daarbij geen substantiële problemen heeft ondervonden. Dit omdat degene op grond van zijn of haar persoonlijke situatie de inschatting heeft gemaakt dat terugkeer verantwoord was. Degene moet dan aannemelijk maken waarom terugkeer op dit moment niet aanvaardbaar is gezien de risico’s die daarmee samenhangen, aldus nog steeds de toelichting in het IB. Daarbij wordt acht geslagen op een aantal in het IB omschreven ‘factoren’.
Conclusie
5. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel, als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dit om proceseconomische redenen en gezien de eerder genoemde bij de Afdeling lopende procedure over het door verweerder gevoerde beleid. Verweerder kan herstellen hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
6. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
Dictum
De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Moes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Paragraaf 10.6.
Paragraaf 10.7.
Paragraaf 10.9.
Paragraaf 10.12.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Informatiebericht.
ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.