Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:2516
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,393 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.1757
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J. de Jong),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Bij besluit van 16 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 22 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2005 en de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser voert aan dat verweerder zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moet trekken. Volgens eiser is de kans aanwezig dat de Duitse autoriteiten zich niet zullen houden aan hun verplichtingen en dat een eventueel in te dienen klacht niet serieus zal worden genomen. Eiser wijst erop dat hij eerder een asielaanvraag in Duitsland heeft ingediend en dat deze aanvraag blijkbaar is afgewezen, maar verweerder heeft geen stukken beschikbaar gesteld waaruit blijkt waarom. Ook is niet duidelijk of Duitsland zich daarbij aan de internationale richtlijnen heeft gehouden. Eiser stelt dat de kans groot is dat de Duitse autoriteiten ook zijn tweede asielaanvraag zullen afwijzen en daarmee is de kans op refoulement aanwezig.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van kan worden uitgegaan.
5. Het is niet aan verweerder om stukken beschikbaar te stellen waaruit blijkt waarom eisers asielaanvraag in Duitsland is afgewezen. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan uit worden gegaan dat de Duitse autoriteiten conform de internationale verplichtingen de asielaanvraag van eiser hebben behandeld. Dat eiser Duitsland heeft verlaten zonder de uitkomst van zijn asielprocedure af te wachten, komt voor zijn eigen rekening en risico.
6. Verder heeft Duitsland met het claimakkoord van 21 november 2023 gegarandeerd eisers (opvolgende) asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Er zal een individuele beoordeling plaatsvinden met inbegrip van het eventuele risico van refoulement. Aangezien eiser ook verder niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een systeemfout in de asielprocedure in Duitsland, is het niet aan de rechtbank om in het kader van een Dublinoverdracht het risico op refoulement in de ontvangende lidstaat verder te onderzoeken. Indien eiser vindt dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg ligt om daarover in Duitsland te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Duitsland hem niet zouden kunnen of willen helpen.
7. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de door eiser aangevoerde (persoonlijke) omstandigheden geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van eiser aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt en verweerder aanleiding had moeten zien om de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening nr. (EU) 604/2013.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934)