Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2024-09-25
ECLI:NL:RBDHA:2024:24020
RECHTBANK Den Haag Team handel Zaaknummer: C/09/632341 / HA ZA 22-588 Vonnis van 25 september 2024 in de zaak van [eiseres] te [woonplaats 1] , eiseres, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. R.S. Schouten te Zeist, tegen 1. [naam 1] te [woonplaats 2] ,2. (de erven van) [naam 2] te [woonplaats 2] ,3. F.A.M. HOLDING B.V. te Leidschendam,4. BRPD BEHEER B.V. te Den Haag,5. [naam 3] te [woonplaats 3] ,6. [bedrijf] B.V. te [vestigingsplaats] , gedaagden, hierna afzonderlijk te noemen: [naam 1] , [naam 2] , F.A.M. Holding, BRPD, [naam 3] en [bedrijf] , advocaat: mr. C.M. van der Burg. 1. De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 5 juli 2022, met producties 1 t/m 33; - de akte houdende aanzegging tot schorsing voor beraad en onderzoek ex artikel 225 Rv van gedaagden waarin is bericht dat [naam 2] (gedaagde 2) op 28 juli 2022 is overleden en waarin is gevraagd om schorsing van de procedure op grond van artikel 225 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv); - de rolbeslissing van 1 februari 2023 waarbij de rechtbank heeft bepaald dat de procedure wordt voortgezet; - de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 10; - het vonnis van 3 mei 2023 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen; - de akte vermeerdering eis namens [eiseres] , met producties 34 t/m 40; - de antwoordakte namens gedaagden, met producties 11 t/m 18; - de akte uitlaten namens gedaagden; - de akte wijziging c.q. vermeerdering van eis van [eiseres] ; - de akte uitlating, tevens houdende akte overlegging aanvullende producties van gedaagden, met producties 10 tot en met 21; - de akte uitlaten van gedaagden van 3 juli 2024, met productie 22. 1.2. Op 20 juni 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens en na deze mondelinge behandeling hebben partijen tevergeefs geprobeerd om samen tot een oplossing van het geschil te komen. De inhoudelijke bespreking van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling op 6 juni 2024. Partijen hebben toen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Daarbij heeft [eiseres] een aantal nieuwe rechtsgronden voor haar vorderingen naar voren gebracht. Gedaagden zijn in de gelegenheid gesteld om bij akte hierop te reageren. 1.3. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [eiseres] , [naam 1] , F.A.M. Holding en BRPD zijn aandeelhouders van [bedrijf] . Deze vennootschap is in 1963 opgericht door de (in 2016 overleden) vader van [eiseres] en [naam 1] (hierna: [naam 4] ). [bedrijf] staat aan het hoofd van een groep vennootschappen die zich bezighouden met de productie van en (internationale) groothandel in Aziatische levensmiddelen. [naam 3] is de bestuurder van [bedrijf] . De Raad van Commissarissen (hierna: RvC) van [bedrijf] bestond tot medio 2022 uit [naam 1] en [naam 2] . Op dit moment is [naam 1] nog de enige commissaris. 2.2. Het kapitaal van de vennootschap is verdeeld in drie soorten aandelen: aandelen A, B en C. De door [eiseres] en [naam 1] gezamenlijk gehouden aandelen A behoren tot de gemeenschap van de nalatenschap van [naam 4] . [eiseres] en [naam 1] zijn beiden deelgenoot in deze gemeenschap. F.A.M. Holding is de houder van de aandelen B en BRPD van de aandelen C. [naam 1] houdt (thans) alle aandelen in het kapitaal van F.A.M. Holding. 2.3. In de statuten van [bedrijf] , zoals gewijzigd op 28 september 2012, staat, voor zover voor deze procedure van belang, het volgende: Artikel 7 - (Ontbonden) Gemeenschap Als aandelen, beperkte rechten daarop of voor aandelen uitgegeven certificaten tot een (ontbonden) gemeenschap behoren, kunnen de deelgenoten zich slechts door de (rechts)persoon die als aandeelhouder is aangegeven in het aandeelhoudersregister als bedoeld in artikel 4 ofwel door één schriftelijk aan te wijzen (rechts) persoon tegenover de vennootschap doen vertegenwoordigen. (…) Artikel 16 - Raad van Commissarissen 1. De vennootschap heeft een raad van commissarissen, be 2.6. In de periode van mei tot en met augustus 2020 zijn de aandeelhouders van [bedrijf] diverse keren (zie hierna) door het bestuur en de RvC uitgenodigd voor een aandeelhoudersvergadering over een voorstel tot wijziging van de statuten van [bedrijf] . Het voorstel zag onder andere op wijziging van de artikelen 16 en 26 van de statuten. Aanvankelijk werd voorgesteld om de in artikel 16 leden 1, 3 en 12 neergelegde bevoegdheden van de houders van aandelen A toe te kennen aan de houders van aandelen B en C. Dit voorstel is later (bij de uitnodiging voor de aandeelhoudersvergadering van 17 juli 2020) bijgesteld, in die zin dat de bevoegdheden niet langer aan de houders van de aandelen A, maar aan de algemene vergadering van aandeelhouders zouden toekomen. Daarnaast werd voorgesteld om de in artikel 26 lid 1 opgenomen gekwalificeerde meerderheid van ten minste twee derden van de uitgebrachte stemmen te wijzigen in een volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. 2.6.1. Op 12 mei 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een aandeelhoudersvergadering op 25 mei 2020. 2.6.2. Op 2 juni 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een (nieuwe) aandeelhoudersvergadering op 12 juni 2020. Bij de vergadering van 12 juni 2020 waren [naam 3] , [naam 2] en de zoon van [eiseres] aanwezig. [naam 2] heeft tijdens de vergadering namens [naam 1] voor het voorstel tot wijziging van de statuten gestemd en de zoon van [eiseres] heeft namens zijn moeder tegen het voorstel gestemd. [naam 3] en [naam 2] hebben geen stemmen op de aandelen van hun vennootschappen uitgebracht. 2.6.3. Op 12 juni 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een aandeelhoudersvergadering op 22 juni 2020. In de uitnodiging is vermeld dat het gaat om een tweede vergadering, omdat tijdens de eerste vergadering van 12 juni 2020 het volgens de statuten vereiste quorum voor een besluit tot statutenwijziging niet aanwezig of vertegenwoordigd was. De vergadering van 22 juni 2020 is na onderling overleg tussen de advocaten van partijen geannuleerd. 2.6.4. Op 6 juli 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een aandeelhoudersvergadering op 17 juli 2020. Bij de vergadering van 17 juli 2020 waren [naam 3] , [naam 2] en de zoon van [eiseres] aanwezig. In de notulen van die vergadering is vermeld dat de voorzitter na opening van de vergadering heeft geconstateerd dat het krachtens de statuten van de vennootschap vereiste quorum voor een besluit tot statutenwijziging niet aanwezig of vertegenwoordigd is. 2.6.5. Op 21 juli 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een aandeelhoudersvergadering op 31 juli 2020. In de uitnodiging is vermeld dat het gaat om een tweede vergadering, omdat tijdens de eerste vergadering van 17 juli 2020 het volgens de statuten vereiste quorum voor een besluit tot statutenwijziging niet aanwezig of vertegenwoordigd was. De vergadering van 31 juli 2020 is niet doorgegaan. 2.6.6. Op 3 augustus 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een nieuwe tweede aandeelhoudersvergadering op 13 augustus 2020. Tijdens deze vergadering van 13 augustus 2020 hebben de daarbij aanwezige [naam 3] en [naam 2] (namens hun vennootschappen) voor het voorstel tot statutenwijziging gestemd. De zoon van [eiseres] was ook bij deze vergadering aanwezig. 2.7. [eiseres] heeft zich vervolgens bij monde van haar advocaat beroepen op de nietigheid, dan wel vernietigbaarheid van het aandeelhoudersbesluit van 13 augustus 2020. 2.8. Bij brief van 23 juli 2021 heeft [naam 3] de aandeelhouders op de hoogte gesteld van het besluit van de Raad van Commissarissen tot uitgifte van negen aandelen B aan F.A.M. Holding en twee aandelen C aan BRPD Holding. 2.9. [eiseres] heeft zich bij brief van 22 september 2021 beroepen op de nietigheid van het uitgiftebesluit en, voor zover noodzakelijk, de vernietiging van het uitgiftebesluit ingeroepen. 2.10. Tijdens een aandeelhoudersvergadering op 24 september 2021 is besloten om uit de vrije reserves aan F.A.M. Holding voor het boekjaar 2019 een bedrag van € 606.000 en voor het boekjaa Holding tot betaling van een schadevergoeding van € 2.475.000 x (29/51) x 50% aan eiseres, alsmede € 2.475.000 x (29/51) x 50% aan [naam 1] , alsmede € 2.475.000 x (6/51) aan aandeelhouder C; meer subsidiair , de veroordeling van [bedrijf] althans van haar directie, in verband met de aan aandeelhouder B gedane dividenduitkeringen (€ 275.000 in 2016, € 1.000.000 in 2018, € 600.000 in 2019 en € 600.000 in 2020), tot een schriftelijke onderbouwing dat in de jaren 2016 tot en met 2020 is voldaan aan de wettelijke en statutaire liquiditeitstoetsen voor die respectievelijke dividenduitkeringen; met veroordeling van F.A.M. Holding tot terugbetaling van de wegens dividend uitbetaalde bedragen aan [bedrijf] , met wettelijke rente en voorts op straffe van verbeurte van een dwangsom als: deze onderbouwing niet binnen twee weken na de datum van het te wijzen vonnis is gegeven, blijkt dat niet aan de liquiditeitstoets is voldaan, of, uit de cijfermatige onderbouwing blijkt dat destijds niet was voldaan aan artikel 24 lid 4 onder b van de statuten. uiterst subsidiair , de verklaring voor recht dat wat betreft de som aan rechtmatig door F.A.M. Holding B.V. ontvangen dividend (in de periode 2016 t/m 2020, betreffende de bedragen € 275.000 in 2016, € 1.000.000 in 2018, € 600.000 in 2019 en € 600.000 in 2020) eerst aandeelhouders A en C, naar rato van dit door aandeelhouder B ontvangen saldo gerelateerd aan de tussen de aandeelhouders geldende aandelenverhoudingen van de aandelen [bedrijf] , dividenduitkeringen ontvangen met uitsluiting van Aandeelhouder B, totdat de gelijkheid van de winstuitkeringen tussen aandeelhouders A, B en C zal zijn hersteld, met veroordeling van [bedrijf] deze wijze van dividenduitkering uit te voeren; Vordering IV de verdeling uit te spreken van de dividendreserve van aandeelhouder A in twee sub-dividend-reserves, ieder ter grootte van de helft van het dividendreserve bedrag van aandeelhouder A, op grond van art. 3:175 jo. 3:182 BW jo. 3:183 jo. 3:185 BW; met veroordeling van: - [naam 1] als deelgenote in aandeelhouder A; - aandeelhouder B; - aandeelhouder C; - [bedrijf] ; - bestuurder de heer [naam 3] ; - de commissarissen [naam 2] en [naam 1] , tot de verlening van medewerking aan de verdeling van de dividendreserve A, met verklaring voor recht dat terzake van een uitkering van dividend aan eiseres vanaf het te wijzen vonnis door de andere aandeelhouders van [bedrijf] , door [bedrijf] , bestuurder de heer [naam 3] en de commissarissen [naam 2] en [naam 1] , geen beroep kan worden gedaan op het niet kunnen stemmen door [eiseres] ter zake van de uitkering van dividend aan [eiseres] vanwege de gemeenschap aandeelhouder A; Vordering V Gedaagden (hoofdelijk) te veroordelen om: primair: op grond van de in artikel 2:8 BW opgenomen redelijkheid en billijkheid het vaste advieskostenbedrag waarover partijen het al lang geleden eens waren met elkaar te betalen aan [eiseres] (door [bedrijf] ); subsidiair: op grond van de in artikel 2:8 BW opgenomen redelijkheid en billijkheid aan [eiseres] alle haar in deze zaak gemaakte kosten van rechtsbijstand en advies te vergoeden; meer subsidiair: op grond van art. 6:96 jo. 6:102 BW de schade te vergoeden die [eiseres] heeft geleden bestaande uit: de advocaatkosten die zij moest maken in de buitengerechtelijke fase van € 29.205,87 inclusief btw; de vordering die haar zoon [naam 5] op haar heeft wegens in de buitengerechtelijke fase aan zijn moeder geleverde advisering van 475 uren x € 155 exclusief BTW = € 73.625; de tijd die [eiseres] zelf heeft moeten besteden in de buitengerechtelijke fase van 475 uren x € 40 = € 19.000; de kosten van EKO notaris van € 719,95 gefactureerd op 25 februari 2021 wegens de advisering ter zake van een optie op 3 aandelen A in [bedrijf] , welke factuur door zoon [naam 5] in privé is voorgeschoten ten behoeve van [eiseres] ; Vordering VI gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure. 3.2. Gedaagden voeren verweer. Zij stellen zich op het standpunt De oproep voor die vergadering heeft plaatsgevonden op 6 juli 2020, in overeenstemming met de termijn van acht dagen uit artikel 17 lid 7 van de statuten (gelezen in combinatie met artikel 2:225 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Tijdens die vergadering is volgens de notulen vastgesteld dat het voor een besluit tot statutenwijziging vereiste quorum niet aanwezig was, zodat is besloten om (aanvankelijk op 31 juli 2020 en later in overeenstemming met de daarvoor geldende termijn op 13 augustus 2020) een tweede vergadering bijeen te roepen. 4.6. Volgens [eiseres] kon de tweede vergadering van 13 augustus 2020 niet bijeen worden geroepen, omdat door de aanwezigheid (van de zoon) van [eiseres] bij de (eerste) vergadering van 17 juli 2020 het voor een besluit tot statutenwijziging vereiste gedeelte van het kapitaal op die vergadering vertegenwoordigd was. Zij beroept zich daarbij op artikel 7 van de statuten en stelt dat zij, althans haar zoon namens haar, de gemeenschap waartoe de aandelen A behoren bij de vergadering van 17 juli 2020 kon vertegenwoordigen, omdat zij als aandeelhouder in het aandeelhoudersregister is ingeschreven. Aan de voorwaarde voor het bijeenroepen van een tweede vergadering (het ontbreken van het vereiste quorum tijdens de eerste vergadering) is, aldus [eiseres] , niet voldaan. 4.7. De rechtbank volgt haar daarin niet. Nu zowel [eiseres] als [naam 1] als houder van aandelen A in het aandelenregister is ingeschreven, is de rechtbank van oordeel dat artikel 7 van de statuten zo moet worden uitgelegd dat voor een rechtsgeldige vertegenwoordiging van de aandeelhouder A, zowel [eiseres] als [naam 1] tijdens een vergadering aanwezig of vertegenwoordigd moet zijn. De enkele aanwezigheid van een van beiden is niet voldoende. Volgens gedaagden is dit ook altijd het uitgangspunt geweest. En dit sluit ook aan bij de tevens door [eiseres] onderschreven uitleg dat om te kunnen stemmen op de aandelen zowel [eiseres] als [naam 1] aanwezig of vertegenwoordigd moet zijn. Omdat [naam 1] tijdens de vergadering van 17 juli 2020 niet aanwezig was en ook niet is gebleken dat [naam 2] door haar was gevolmachtigd, concludeert de rechtbank dat aandeelhouder A tijdens die vergadering niet werd vertegenwoordigd. De aandelen A vertegenwoordigde destijds 56,52% van het geplaatste kapitaal, zodat door de (formele) afwezigheid van aandeelhouder A tijdens de vergadering van 1 juli 2020 geen geldig besluit over de statutenwijziging kon worden genomen. Dat was, zo volgt uit artikel 26 lid 1 BW, immers alleen mogelijk als minimaal de helft van het geplaatste kapitaal tijdens de vergadering vertegenwoordigd zou zijn. Het bestuur en de RvC van [bedrijf] mochten dus overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 lid 3 van de statuten een tweede vergadering bijeenroepen waarop de aandeelhouders alsnog (in dit geval met eenparigheid van stemmen) konden besluiten tot statutenwijziging. 4.8. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog betoogd dat de bepaling in artikel 26 van de statuten inhoudende dat een besluit tot wijziging alleen kan worden genomen met een meerderheid van tenminste twee derden van de uitgebrachte stemmen vertegenwoordigende meer dan de helft van het geplaatste kapitaal, betekent dat zonder instemming van de houders van aandelen A de statuten überhaupt niet kunnen worden gewijzigd. De houders van aandelen A bezitten immers meer dan de helft van het aantal aandelen en dus kunnen volgens [eiseres] geen besluiten worden genomen als zij hun stem niet uitbrengen. [eiseres] miskent hiermee dat artikel 20 lid 3 van de statuten juist is geschreven voor deze situatie. Artikel 20 lid 3 van de statuten bepaalt immers dat als in de statuten is bepaald dat de geldigheid van een besluit afhankelijk is van het op de vergadering vertegenwoordigde deel van het kapitaal (zie artikel 26: “ het aantal uitgebrachte stemmen vertegenwoordigende meer dan de helft van het kapitaal ”) en dit gedeelte niet was vertegenwoordigd, een tweede vergadering k Op grond van artikel 2:15 lid 5 BW vervalt de bevoegdheid om vernietiging van het besluit te vorderen een jaar na het einde van de dag, waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. Vaststaat dat [eiseres] in ieder geval op 18 augustus 2020 op de hoogte was van het besluit, aangezien haar advocaat daar op die dag schriftelijk bezwaar tegen heeft gemaakt. De vordering tot vernietiging is pas 5 juli 2022 ingesteld, dus ruim na de vervaltermijn. Dat het besluit nog niet is uitgevoerd is, anders dan [eiseres] stelt, voor de aanvang van de termijn niet relevant en kan dus niet tot een ander oordeel leiden. Ook de redelijkheid en billijkheid staan aan dit oordeel niet in de weg. 4.15. De rechtbank is aldus van oordeel dat het besluit van 13 augustus 2020 rechtsgeldig is voor zover het betrekking heeft op de wijziging van artikel 26 van de statuten. Vervolgens ligt de vraag voor of de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW eraan in de weg staan dat aan dit (deel van het) besluit uitvoering wordt gegeven, zoals het meer subsidiaire standpunt van [eiseres] luidt. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Door gedaagden is gemotiveerd betwist dat het besluit is genomen om [eiseres] buiten spel te zetten. Zij hebben erop gewezen dat het besluit is genomen in het belang van de door [bedrijf] gedreven onderneming, dat [eiseres] altijd al op meer afstand van de bedrijfsvoering stond en dat met het besluit geen afbreuk wordt gedaan aan de zeggenschapsrechten die zij als meerderheidsaandeelhouder samen met [naam 1] heeft. Tegenover deze betwisting heeft [eiseres] onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die haar beroep op de redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen. II. Besluit tot uitgifte aandelen 4.16. Op 23 juli 2021 heeft de RvC besloten tot uitgifte van aandelen B en C aan F.A.M. Holding respectievelijk BRPD. Gedaagden hebben toegelicht dat de uitgifte aan de vennootschappen van [naam 2] en [naam 3] heeft plaats gevonden om [naam 2] en [naam 3] te belonen voor de door hen voor de onderneming van [bedrijf] uitgevoerde werkzaamheden. Aldus is sprake van de toekenning van een bezoldiging aan een commissaris en een bestuurder. 4.17. De rechtbank is van oordeel dat, zoals zij partijen ook tijdens de zitting heeft voorgehouden, het besluit tot uitgifte van aandelen aan (de vennootschap van) [naam 2] niet kon worden genomen zonder betrokkenheid van de aandeelhouders van [bedrijf] . Artikel 16 lid 2 van de statuten (en dat is in overeenstemming met artikel 2:255 BW) bepaalt immers dat de algemene vergadering bevoegd is tot het toekennen van een bezoldiging aan één of meerdere commissarissen. Dat het besluit tot uitgifte van aandelen aan (de vennootschap van) [naam 2] op voordracht of met instemming van de algemene vergadering is genomen is niet gesteld of anderszins gebleken. Het besluit van de RvC van 23 juli 2021 tot uitgifte van aandelen B aan F.A.M. Holding is daarom nietig. 4.18. De RvC kon gelet op het bepaalde in artikel 14 lid 3 en artikel 8 lid 2 van de statuten wel rechtsgeldig besluiten over de beloning van [naam 3] en overgaan tot uitgifte van aandelen C tegen nominale waarde. Dat bij die aandelenuitgifte in strijd is gehandeld met de statuten, is niet komen vast te staan. Weliswaar hebben de overige aandeelhouders in beginsel een voorkeursrecht bij de uitgifte van aandelen, maar gelet op het doel van de aandelenuitgifte concludeert de rechtbank dat de RvC gebruik heeft gemaakt van de statutaire mogelijkheid om dit recht bij deze uitgifte uit te sluiten – ook al blijkt dat niet expliciet uit de brief van 23 juli 2021 –, althans dat het voorkeursrecht niet gold (vgl. artikel 2:206a lid 1 BW). In zoverre is van nietigheid, dan wel vernietigbaarheid van het uitgiftebesluit geen sprake. 4.19. Dat besluit is naar het oordeel van de rechtbank ook niet op grond van een van de andere door [eiseres] aangevoerde reden Holding in september 2021 bij aandeelhoudersbesluit toegekende dividend had betrekking op de winstreserve uit de jaren 2019 en 2020, zodat de nietige uitgifte ook niet van invloed is geweest op de uitkering van het dividend. Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat de vordering inzake de verklaring voor recht inhoudende dat aandeelhoudersbesluiten genomen na 23 juli 2021 nietig zijn, moet worden afgewezen. III. Dividenduitkeringen F.A.M. Holding 4.24. Tussen partijen is niet in geschil dat sinds 2016 een bedrag van in totaal € 2.475.000 aan dividend aan F.A.M. Holding is uitgekeerd. De vraag die allereerst voorligt is of aan de dividenduitkeringen steeds een rechtsgeldig besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders ten grondslag heeft gelegen. Volgens [eiseres] is dat niet zo. De rechtbank volgt haar daarin niet. 4.25. Aan de in 2016 gedane uitkering van € 275.000 ligt een buiten vergadering genomen besluit van de aandeelhouders van [bedrijf] van 15 november 2016 ten grondslag. Zoals gedaagden terecht hebben opgemerkt werden de aandelen A op dat moment gehouden door de Stichting administratiekantoor [bedrijf] (hierna: de STAK) en niet door [eiseres] en [naam 1] . Uit het besluit blijkt dat de STAK net als de andere aandeelhouders heeft ingestemd met de uitkering aan F.A.M. Holding. Daarnaast heeft het bestuur van [bedrijf] , na het verrichten van een uitkeringstest, haar goedkeuring aan het besluit verleend. 4.26. In 2019 is aan F.A.M. Holding een bedrag van € 1.000.000 uitgekeerd. Het besluit tot uitkering van dat bedrag is vastgelegd in het door gedaagden als productie 7 overgelegde document waarboven staat dat het gaat om de notulen van een aandeelhoudersvergadering gehouden op 10 juli 2019. Uit de verklaringen van partijen over de totstandkoming van het besluit maakt de rechtbank op dat er op die datum niet daadwerkelijk een (officiële) aandeelhoudersvergadering heeft plaatsgevonden. Dat wordt bevestigd door het feit dat [naam 3] het document pas op 23 juli 2019 heeft getekend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het besluit moet worden aangemerkt als een besluit buiten vergadering. 4.27. Nu alle aandeelhouders het document hebben getekend, kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat alle (vergaderingsgerechtigde) aandeelhouders met deze wijze van besluitvorming alsook met de inhoud van het besluit hebben ingestemd. Tijdens de zitting op 6 juni 2024 heeft [eiseres] weliswaar betwist dat het haar handtekening is die op het document staat, maar die betwisting staat haaks op dat wat zij in de dagvaarding heeft aangevoerd. Daarin staat immers dat zij op 10 juli 2019 – voorafgaand aan het etentje dat haar zoon voor zijn verjaardag had georganiseerd – bij [naam 1] en [naam 2] is geweest en aldaar een aan haar voorgehouden document heeft getekend. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop geen sprake is van een stellige ontkenning door [eiseres] van de ondertekening van het als productie 7 door gedaagden overgelegde document, als bedoeld in artikel 159 lid 2 Rv. Daar komt bij dat [eiseres] heeft erkend dat zij op de hoogte was van de ziekte van [naam 2] en dat dit binnen de onderneming stil werd gehouden. Volgens gedaagden was die ziekte nu juist de reden waarom tot dit besluit tot betaling van dividend is overgegaan. Zij hebben toegelicht dat [naam 2] en [naam 1] [eiseres] bij hen thuis hebben uitgenodigd en haar in vertrouwen hebben genomen over de ziekte van [naam 2] . Dat is ook de reden dat [naam 3] later heeft getekend. Het geld was, aldus gedaagden, bedoeld als buffer voor de familie en [eiseres] was hiervan volledig op de hoogte. Het dividendbedrag is, nadat ook [naam 3] het document had ondertekend, aan F.A.M. Holding uitgekeerd. Gelet op dit een en ander gaat de rechtbank aan de betwisting van de handtekening door [eiseres] voorbij. Voor het overige heeft [eiseres] geen verweer gevoerd tegen het als productie 7 overgelegde document. Uit de inhoud ervan en uit de handelin ontvangen dividend (€ 2.475.000) eerst aandeelhouders A en C, naar rato van dit door aandeelhouder B ontvangen saldo gerelateerd aan de tussen de aandeelhouders geldende aandelenverhoudingen van de aandelen [bedrijf] , dividenduitkeringen ontvangen met uitsluiting van aandeelhouder B, totdat de gelijkheid van de winstuitkeringen tussen aandeelhouders A, B en C zal zijn hersteld, met veroordeling van [bedrijf] deze wijze van dividenduitkering uit te voeren. Een deugdelijke grondslag voor deze vordering ontbreekt. Voor zover [eiseres] zich ook voor deze vordering beroept op schending van statutaire of wettelijke winstverdelingsregels, strandt dit beroep op grond van wat daarover hiervoor al is overwogen. De vordering zal dan ook worden afgewezen. IV. Verdeling dividendreserve 4.32. De vordering tot verdeling van de dividendreserve van de houders van aandelen A wordt afgewezen. De dividendreserve is geen onderdeel van de tussen [eiseres] en [naam 1] bestaande gemeenschap van de nalatenschap van [naam 4] , maar behoort tot het vermogen van de vennootschap. De dividendreserve komt als zodanig dan ook niet voor verdeling in aanmerking. De bijbehorende vordering tot veroordeling van [naam 1] als deelgenote in aandeelhouder A, aandeelhouder B, aandeelhouder C, [bedrijf] , [naam 3] , commissaris [naam 2] en commissaris [naam 1] tot medewerking aan de effectuering van de verdeling is daarmee ook niet toewijsbaar. V. Vergoeding kosten 4.33. [eiseres] baseert haar vordering tot vergoeding van de door haar gemaakte kosten primair op een afspraak tussen partijen. Het bestaan van die afspraak heeft [eiseres] gelet op de betwisting daarvan door gedaagden onvoldoende onderbouwd. Gedaagden hebben erop gewezen dat tijdens gesprekken met Asian Food Group over de overname van de aandelen van [bedrijf] is overeengekomen dat Asian Food Group bij totstandkoming van een overnameovereenkomst de advieskosten van [eiseres] zou voldoen tot een bedrag van € 250.000. Dat bedrag zou aan [bedrijf] worden betaald, waarna [bedrijf] dit bedrag zou doorbetalen aan [eiseres] . [eiseres] heeft niet toegelicht waarom zij naleving van die afspraak van [bedrijf] kan verlangen, ondanks dat er geen overnameovereenkomst met Asian Food Group tot stand is gekomen. Voor zover [eiseres] zich op een andere afspraak beroept, heeft zij geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit het bestaan van die afspraak kan worden afgeleid. 4.34. De rechtbank ziet ook in het bepaalde in artikel 2:8 lid 1 BW geen grond voor toewijzing van de vordering van [eiseres] . Zelfs als het zo is dat [bedrijf] de kosten van deze procedure van de andere gedaagden voor haar rekening neemt en [eiseres] daar indirect (door de afname van de winst en daarmee de afname van het door haar te ontvangen dividend) aan meebetaalt, betekent dat niet dat de redelijkheid en billijkheid vergen dat [bedrijf] ook de kosten van [eiseres] draagt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat [eiseres] degene is die deze procedure is gestart en [bedrijf] de daaruit voortvloeiende kosten hoe dan ook zou moeten maken. Alle vorderingen zijn immers gericht tegen [bedrijf] , althans hebben, bij toewijzing daarvan, (ook) gevolgen voor de vennootschap. 4.35. Meer subsidiair stelt [eiseres] zich op het standpunt dat gedaagden op grond van een toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst de door haar gemaakte kosten, als zijnde de door haar geleden schade, moeten betalen. Hiervoor heeft de rechtbank al geoordeeld dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat gedaagden afspraken uit de vaststellingsovereenkomst hebben geschonden. Voor veroordeling van gedaagden tot betaling van een schadevergoeding bestaat dan ook geen grond. 4.36. Dit betekent dat de vordering onder V. zal worden afgewezen. VI. Proceskosten 4.37. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5. De beslis