Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-12
ECLI:NL:RBDHA:2024:23769
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,827 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/7386
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiseres
mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1]
, V-nummer: [v-nummer 2] en[minderjarige 2] , V-nummer: [v-nummer 3]
(gemachtigde: mr. F. Arslan),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Latul).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor de afgifte van een mvv.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 31 augustus 2023 (het eerste besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 april 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Beninse nationaliteit. Zij heeft op 28 maart 2023 een aanvraag ingediend tot afgifte van een mvv voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij de heer [naam] ’ (referent). Verweerder heeft deze aanvraag onder meer afgewezen omdat niet is gebleken dat tussen eiseres en referent sprake is van een duurzame relatie. Daarmee is er volgens verweerder geen sprake van een beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiseres heeft onterecht het onderliggende dossier nog niet ontvangen. Verder had verweerder eiseres en referent moeten horen, zodat twijfels bij verweerder over de duurzame relatie weg konden worden genomen. Verweerder had betrokkenen ook in de gelegenheid moeten stellen het verzuim – te weten het ontbreken van bepaalde stukken voor de aanvraag – te herstellen. Wat betreft de beoordeling van de duurzame relatie stelt eiseres dat niet duidelijk is waarom de duurzame relatie niet aannemelijk is geworden en heeft zij met referent wel aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een duurzame relatie. De vragen over de relatie zijn beantwoord. Als verweerder meer wilde hebben, moet verweerder de vragenlijst aanpassen of een aanvullende vragenlijst opstellen. Dat heeft verweerder nagelaten. Verder is aangetoond dat het inkomen van referent voldoende en duurzaam is, verweerder kan dit natrekken in Suwinet en er zijn voldoende stukken overgelegd die dit onderbouwen. Verder kan verweerder niet aan eiseres tegenwerpen dat zij niet heeft aangetoond dat zij in Togo woont, is eiseres geen gevaar voor de openbare orde en schendt verweerder met de afwijzing van de aanvraag artikel 8 van het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres kon afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
6. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Is het besluit van verweerder onzorgvuldig tot stand gekomen?
7. De rechtbank stelt vast dat verweerder op verzoek van eiseres bij brief van 3 oktober 2023 een kopie van het dossier aan eiseres heeft gezonden. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat ze niet betwist dat verweerder dit heeft gedaan, maar zij blijft bij haar standpunt dat zij de kopie van het dossier niet ontvangen heeft. Doordat eiseres een beroepsprocedure aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank, is zij wel bekend geworden met het hele dossier. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat zij er pas met het verkrijgen van het dossier via de rechtbank achter is gekomen dat zij geen stukken heeft gemist en dat zij alle stukken reeds in haar bezit had. Alhoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres wellicht enige tijd in onzekerheid heeft gezeten of zij wel alle relevante stukken tot haar beschikking had, maakt deze omstandigheid niet dat verweerder het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. De beroepsgronden op dit punt slagen daarom niet.
Mocht verweerder vinden dat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een duurzame relatie?
8. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiseres en referent is om aannemelijk te maken dat er sprake is van een duurzame relatie die in voldoende mate op één lijn is te stellen met een huwelijk.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen vinden dat niet aannemelijk is gemaakt dat tussen eiseres en referent sprake is van een duurzame relatie. Daartoe heeft verweerder van belang kunnen achten dat de beantwoorde vragen op de vragenlijst kort zijn en onvoldoende zijn onderbouwd met bewijsstukken, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een relatie die gelijk is te stellen aan een huwelijk. Verder betrekt verweerder dat de overgelegde reisstempels in het paspoort van referent en de door hem overlegde vliegtickets bevestigen dat hij in 2019 en 2022 in Togo is geweest, maar dat daarmee niet aannemelijk is gemaakt dat referent in die periode eiseres daadwerkelijk in persoon heeft ontmoet. Ook betrekt verweerder dat er geen gezamenlijke foto’s zijn overgelegd van eiseres en referent, dat de gestelde relatie niet met getuigenverklaringen van derden is onderbouwd, dat uit het overzicht van de WhatsApp-gesprekken niet blijkt dat de gesprekken plaats hebben gevonden tussen eiseres en referent en dat deze gesprekken algemeen van aard zijn waarbij niet zonder meer vaststaat dat het om een gesprek tussen twee liefdespartners gaat. De enkele stelling dat de vragenlijst van verweerder niet deugt, is onvoldoende om aan het voorgaande af te doen. Zoals op zitting ook is besproken staat in de bijlage bij de vragenlijst duidelijk dat de aanvraag zoveel mogelijk moet worden onderbouwd met bewijs. Het kon eiseres daarom duidelijk zijn wat van haar werd verwacht, te meer nu zij werd bijgestaan door een professionele gemachtigde. Verweerder was in het licht hiervan niet gehouden tot het bieden van een herstelmogelijkheid. De enkele stelling van eiseres dat zij met de ingediende stukken wel voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een duurzame relatie met referent, kan aan het voorgaande niks afdoen.
9. Gelet op het voorgaande mocht verweerder vinden dat er tussen eiseres en referent geen sprake is van beschermenswaardig familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Van een schending van dit artikel is, anders dan eiseres stelt, dus geen sprake.
Mocht verweerder van horen afzien?
10. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel moet worden gehoord. Hiervan mag slechts worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Hierbij overweegt de rechtbank dat de hoogste bestuursrechter ook heeft bepaald dat als een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover met verweerder heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om de vreemdeling uit te nodigen voor een hoorzitting. Reeds in het eerste besluit is aan eiseres tegengeworpen dat en waarom geen sprake is van een duurzame relatie en dat verschillende stukken ontbreken. Zij had in de bezwaarschriftprocedure de mogelijkheid deze en overige voor de aanvraag relevante stukken aan te leveren, maar heeft dit nagelaten. Het enkele feit dat verweerder vóór het nemen van het eerste besluit niet expliciet aan eiseres de mogelijkheid heeft geboden het verzuim te herstellen, geeft in het licht van wat daarover hiervoor is overwogen geen reden voor een ander oordeel. Gelet op de geringe inspanningen van eiseres om de door verweerder gevraagde informatie aan te leveren, zowel in de aanvraag- als in de bezwaarfase, heeft verweerder met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van horen kunnen afzien.
11. Uit het voorgaande volgt dat verweerder een voldoende dragende motivering heeft gegeven voor haar conclusie dat eiseres en referent niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een duurzame relatie hebben met elkaar en dat verweerder de aanvraag daarom kon afwijzen. Daarmee voldoen eiseres en referent niet aan een van de cumulatieve voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor het doel waarvoor eiseres en referent deze hebben aangevraagd. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Conclusie
12. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder niet ten onrechte aanvraag tot afgifte van de mvv heeft afgewezen. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.
Machtiging tot voorlopig verblijf.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Artikel 3.14, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B7/3.1.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.