Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:23742
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,422 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.20265
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. M. van Bohemen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 19 april 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 7 mei 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft op dit verweerschrift gereageerd.
2. De rechtbank heeft het beroep op 26 september 2024 op zitting behandeld. Hier hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder aan deelgenomen. Als tolk is verschenen de heer A. Fawsy.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1966. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is in het geheim getrouwd met zijn tweede vrouw. Deze vrouw is door haar broers – die horen bij de militie [militie] – vermoord. Nadat zij is vermoord is eiser door leden van deze militie bedreigd. Eiser is daarom gevlucht uit Irak.
3.1.
Ter onderbouwing van het asielrelaas heeft eiser verschillende documenten overlegd, waaronder de huwelijksakte van het huwelijk met zijn tweede vrouw, een kopie van het overlijdensbericht van zijn tweede vrouw, een kopie van foto’s van kogelgaten in het huis van eiser en een kopie van een foto van een beklad graf waarop eisers naam is geschreven.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (eerste asielmotief);
eisers geheime huwelijk met zijn tweede vrouw (tweede asielmotief);
eisers problemen met [militie] vanwege het tweede huwelijk (derde asielmotief).
4.1.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Dat eiser een geheim huwelijk had met een tweede vrouw en dat hij daardoor problemen heeft met [militie] vindt verweerder niet geloofwaardig. Dat eiser uit Irak komt is onvoldoende om aan te nemen dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij om die reden bij terugkeer naar Irak een risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser heeft voldoende documenten overlegd en heeft duidelijk en consistent verklaard om zijn asielmotieven te onderbouwen. Het is aannemelijk dat eisers leven in gevaar loopt in Irak, moest vluchten en niet meer terug kan keren. Verweerder had aan eiser een asielvergunning moeten verlenen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het tweede en derde asielmotief van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig mogen achten. Hieronder motiveert de rechtbank hoe en waarom zij tot deze overweging is gekomen.
Tweede asielmotief
8. Verweerder heeft eiser mogen tegenwerpen dat zijn verklaringen over de huwelijksdatum strijdig zijn met de datum die staat vermeld op de overlegde huwelijksakte. In de gronden van beroep stelt eiser hierover dat de formele huwelijksdatum in maart 2020 was, maar dat hij zijn tweede vrouw pas in december 2020 van haar ouderlijk huis heeft opgehaald en dit de verschillen in data zouden verklaren. Eiser heeft dit niet eerder verklaard, terwijl hij in de gehoren wel uitgebreid is bevraagd over zijn tweede huwelijk. Bovendien is deze stelling niet verder is onderbouwd, ook niet ter zitting. Verder mocht verweerder eiser tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over wie er op de hoogte was van het tweede huwelijk. Zo heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat de moeder van zijn tweede vrouw de enige was die wist van het huwelijk. Later verklaart eiser dat ook een vriendin van zijn tweede vrouw van het huwelijk wist, terwijl nog later in het nader gehoor eiser verklaart dat al de kennissen van zijn tweede vrouw wisten dat ze met elkaar getrouwd waren.
8.1.
Voorts heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser vaag heeft verklaard over zijn toekomstplannen voor zijn tweede huwelijk en ook dat hij wisselend heeft verklaard over het al dan niet vertellen over zijn tweede huwelijk tegen zijn eerste vrouw. Zo volgt uit eisers verklaringen in het nader gehoor dat hij over zijn tweede huwelijk niets aan zijn eerste vrouw wilde vertellen, omdat hij het tweede huwelijk geheim wil houden, terwijl hij in beroep juist aangeeft dat hij zijn eerste vrouw over zijn tweede huwelijk wilde informeren na de geboorte van het kind.
Derde asielmotief
9. Verweerder heeft ook het derde asielmotief ongeloofwaardig mogen achten. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat eiser zelf stelt dat het standpunt dat zijn tweede vrouw zou zijn vermoord slechts een vermoeden is. Dat deze moord zou zijn gepleegd door leden van [militie] is eveneens onvoldoende onderbouwd, omdat eiser hierover alleen heeft verklaard dat de broers van zijn tweede vrouw zouden zijn aangesloten bij deze groepering. Bovendien heeft hij hierover wisselende verklaringen afgelegd. Dat deze groepering naar eiser op zoek zou zijn heeft verweerder dan ook in dit licht bezien ongeloofwaardig mogen achten. De enkele verklaring dat eiser van de [naam] zou hebben gehoord dat militanten naar hem op zoek zouden zijn en, omdat het kantoor van [militie] zich in de omgeving van de [naam] bevond, het daarom niet anders kan zijn dat militanten van deze groepering de [naam] hebben aangesproken, voegt hier onvoldoende aan toe.
9.1.
Tot slot mocht verweerder meewegen dat met de overlegde foto’s van een beschoten huis en een grafsteen met eisers naam erop niet is bewezen dat eiser problemen heeft met [militie] . Zo is uit de foto’s van het huis niet vast te stellen van wie het huis is, wanneer de beschieting heeft plaatsgevonden, wie dit heeft gedaan en wat daarvan de reden is geweest. Uit de enkele verklaringen van een niet-verifieerbare bron dat de beschietingen zijn gedaan door mannen in zwarte kleding kan niet volgen dat die mannen lid waren van [militie] . Uit de foto van de grafsteen is evenmin af te leiden wanneer dit heeft plaatsgevonden, wie dit heeft gedaan en wat daarvan de reden is geweest. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie
10. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen als ongegrond. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.
Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Verslag nader gehoor, p. 9.
Verslag nader gehoor, p. 14
Verslag nader gehoor, p. 18.
Verslag nader gehoor, p. 9.
Verslag aanvullend gehoor, p. 11.
Verslag aanvullend gehoor, p. 4.