Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-08
ECLI:NL:RBDHA:2024:23734
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,707 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.15020 (beroep) en NL23.15023 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Kiliç-Arslan),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M.I. Latul).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-opheffen van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod en het beroep tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van het Terugtrekkingsakkoord tussen de Europese Unie (EU) en het Verenigd Koninkrijk (Terugtrekkingsakkoord).
1.1.
Verweerder heeft op 4 augustus 2016 een inreisverbod tegen eiser uitgevaardigd voor de duur van twee jaren.
1.2.
Op 11 december 2022 heeft eiser verweerder verzocht tot opheffing van dit inreisverbod en verlening van een verblijfsvergunning op grond van het Terugtrekkingsakkoord.
1.3.
Met het bestreden besluit van 20 april 2023 heeft verweerder de aanvraag tot opheffing afgewezen en de aanvraag tot verblijfsvergunning niet in behandeling genomen.
1.4.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening eisers uitzetting op te schorten totdat op het beroep is beslist.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 11 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Verder was aanwezig [naam] .
Beoordeling
Wat vooraf ging aan dit beroep
2. Eiser heeft de Albanese nationaliteit. Verweerder heeft tegen hem een inreisverbod voor de duur van twee jaren uitgevaardigd op grond van artikel 66a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op 4 september 2019 is eiser getrouwd met [naam] , die de Britse nationaliteit heeft en in Nederland verblijft. Eiser heeft verweerder daarna meerdere malen verzocht om het inreisverbod op te heffen. Ook heeft hij verweerder al eerder verzocht om hem een verblijfsvergunning te verlenen op grond van het Terugtrekkingsakkoord. Verweerder heeft al deze aanvragen afgewezen, waarbij hij onder andere heeft geconcludeerd dat eiser zijn huwelijk is aangegaan met als enig doel verblijf te genieten waar anders geen aanspraak op zou kunnen worden gemaakt (schijnhuwelijk). Deze besluiten staan allemaal in rechte vast. Verweerders conclusie dat sprake is van een schijnhuwelijk is bovendien bevestigd in beroep door deze rechtbank, zittingsplaats Groningen op 21 april 2022.
Het beroep dat hier voorligt
3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Had verweerder aan het Terugtrekkingsakkoord moeten toetsen?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van het Terugtrekkingsakkoord niet in behandeling heeft hoeven nemen. Niet in geschil is dat eiser zijn aanvraag niet heeft ingediend binnen de in paragraaf B13/2.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) genoemde termijn, te weten vóór 1 oktober 2022. Het gaat er dus om of er redenen waren om de termijnoverschrijding niet aan eiser tegen te werpen. Verweerder heeft mogen concluderen dat eiser een dergelijke reden niet heeft gegeven, ook niet nadat verweerder eiser hierop heeft gewezen. Eisers vorige verzoek tot toetsing aan het Terugtrekkingsakkoord is afgewezen en het daartegen ingestelde beroep is op 21 april 2022 ongegrond verklaard. Dat eiser zijn beroep tegen de vorige aanvraag wilde afwachten, zoals eiser in beroep heeft gesteld, verhinderde hem dus ook niet om op tijd een nieuwe aanvraag in te dienen. De rechtbank volgt verweerder daarom in zijn standpunt dat daarin ook geen verschoonbare reden voor termijnoverschrijding ligt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser laten zien dat hij de EU heeft verlaten voor langer dan een jaar?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet voor opheffing van het inreisverbod in aanmerking komt op de grond dat hij langer dan een jaar buiten de EU heeft verbleven.
6.1.
Op grond van artikel 6.5b, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan verweerder een inreisverbod opheffen als de vreemdeling onder andere aantoont dat hij sinds zijn vertrek uit de EU na het inreisverbod een ononderbroken periode van ten minste de helft van de duur van het inreisverbod buiten de EU heeft verbleven. Op grond van artikel 6.5b, derde en vierde lid, van het Vb moet bij een aanvraag tot opheffing van een inreisverbod zoals dat van eiser in ieder geval het volgende worden overgelegd:
een schriftelijke verklaring dat hij voldoet aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod;
een kopie van de documenten voor grensoverschrijding die de vreemdeling sinds zijn inreisverbod heeft gehouden;
een overzicht van de plaatsen waar de vreemdeling sinds zijn inreisverbod heeft verbleven, voorzien van bewijsstukken.
6.2.
Uit het beleid van verweerder in paragraaf A4/2.5.2 van de Vc volgt dat verweerder onder andere niet van zijn bevoegdheid tot opheffen op grond van artikel 6.5b, tweede lid, van het Vb gebruik maakt als de gegevens, bedoeld in artikel 6.5b, derde lid, van het Vb, niet zijn verstrekt.
6.3.
Eiser heeft op zitting aangegeven dat hij al vijf jaar in Nederland verblijft bij [naam] en dat hij al die tijd niet naar Albanië is geweest. Hij heeft zich alleen nog beroepen op een niet nader gepreciseerd tijdvak in de jaren 2016-2017 waarin hij stelt in Albanië te hebben verbleven. Verweerder betwist dat eiser heeft aangetoond dat hij sinds het inreisverbod langer dan een jaar buiten de EU heeft verbleven.
6.4.
Vaststaat dat eiser niet alle documenten genoemd onder 6.5b, derde lid, van het Vb heeft overgelegd. Eiser heeft niet betwist dat hij geen kopieën heeft overgelegd van de paspoorten die hij sinds augustus 2016 heeft gehad, ook niet in de door hem aangehaalde periode. Eiser heeft ook niet betwist dat hij geen overzicht heeft overgelegd van verblijfplaatsen sinds het inreisverbod. Eiser heeft, ook desgevraagd op zitting, geen concrete reden gegeven waarom hij deze documenten niet heeft overgelegd of waarom hij geen overzicht kan geven van zijn verblijfplaatsen sinds augustus 2016. De enkele algemene stelling dat het lastig is om in Albanië documenten te krijgen is daarvoor onvoldoende, alleen al omdat hij hiervoor niet alleen van anderen afhankelijk is. Verweerder heeft er naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit dan ook op mogen wijzen dat hij niet alle vereiste stukken heeft overgelegd. Daarmee is, gelet op het genoemde beleid in de Vc, voldoende gemotiveerd waarom verweerder het inreisverbod niet heeft opgeheven. De overige stukken die eiser heeft overgelegd, of stelt te hebben overgelegd om zijn verblijf buiten de EU te onderbouwen, kunnen daarom buiten bespreking blijven. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder van een schijnhuwelijk uit mogen gaan?
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts geen aanleiding hoeven zien het inreisverbod op te heffen vanwege eisers huwelijk met [naam] . In de uitspraak van 24 juni 2022 op het beroep tegen het vorige besluit om eisers inreisverbod niet op te heffen heeft de rechtbank nog geconcludeerd dat verweerder zich nog altijd op het standpunt heeft mogen stellen dat sprake is van schijnhuwelijk. Hoewel het zou kunnen dat eiser en [naam] sindsdien wel invulling hebben gegeven aan hun huwelijk, heeft eiser dat onvoldoende onderbouwd. Eiser heeft in deze procedure foto’s van hem en [naam] samen overgelegd. Verweerder heeft dat onvoldoende mogen vinden, omdat foto’s ook genomen kunnen worden van mensen die geen serieuze relatie hebben. Eiser heeft verder gesteld dat hij verklaringen van bekenden heeft overgelegd, maar dat wordt door verweerder betwist en deze verklaringen zijn niet in het dossier terug te vinden. Dat verweerder in de nieuwe aanvraag aanleiding heeft moeten zien om eiser (en [naam] ) opnieuw over het huwelijk te horen volgt de rechtbank daarom ook niet. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het inreisverbod in stand blijft en dat verweerder niet aan het Terugtrekkingsakkoord hoeft te toetsen.
9. Omdat de beroepen ongegrond zijn, is er ook geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom afwijzen.
10. Vanwege de uitkomst in beide zaken krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, rechter, in aanwezigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voorzover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, 2019/C 384 I/01.
NL22.2252, niet gepubliceerd.
NL22.4243, niet gepubliceerd.