Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-26
ECLI:NL:RBDHA:2024:23677
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,836 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5593
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2024 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. J.F. Cheung),
en
de minister van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om een tweetal private schulden van eiseres over te nemen.
1.1.
Met het primaire besluit van 9 februari 2023 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd de schulden van eiseres over te nemen. Met het bestreden besluit van 17 juli 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor overname van hun private geldschulden of compensatie van de afgeloste private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het overnemen dan wel compenseren van de (afgeloste) private geldschulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN).
2.1.
Eiseres heeft verzocht om overname en compensatie van haar private schulden bij de ABN AMRO. Het gaat om een schuld met referentie [nummer 1] van € 44.708 en een schuld met referentie [nummer 2] van € 0.
2.2.
De Dienst Toeslagen heeft met het besluit van 18 januari 2023 eiseres laten weten dat haar schulden voor overname in aanmerking komen. Met de brief van 9 februari 2023 (primaire besluit) heeft de Dienst Toeslagen eiseres laten weten dat de schulden niet worden overgenomen, omdat deze niet voldoen aan de voorwaarden van de Wht. Met het besluit van 9 februari 2023 is het besluit van 18 januari 2023 herroepen, omdat door een administratieve fout in het besluit van 18 januari 2023 abusievelijk is vermeld dat de schulden wel zouden worden overgenomen.
2.3.
Verweerder heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hij stelt dat de schulden van eiseres niet voor overname in aanmerking komen. De schulden voldoen niet aan de voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, onderdeel b, in combinatie met artikel 4.1, vierde lid, onderdeel b, van de Wht. Eiseres is het hier niet mee eens.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres voert aan dat verweerder onterecht de vordering bij ABN AMRO van € 44.708 met referentienummer [nummer 1] niet overneemt, omdat deze vordering op 31 mei 2021 niet opeisbaar was. Uit het karakter van een rekening-courant vloeit voort dat het saldo steeds opeisbaar is. Het gaat om een ‘verrekening van rechtswege’ waardoor het tijdstip van verschuldigdheid van het saldo ertoe leidt dat het actuele saldo steeds opeisbaar is, ongeacht of de rekening courant is opgezegd, gelet op artikel 140 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat ABN AMRO pas met het schrijven van 24 juni 2022 het rekening-courant krediet heeft opgezegd, laat onverlet dat het krediet eerder opeisbaar was.
3.1
Verder is eiseres van oordeel dat de datum waarop de schuld opeisbaar zou moeten zijn, onzorgvuldig is bepaald. Er is nu gekozen voor de datum van de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 25 mei 2021. Dit is willekeurig en onvoldoende gemotiveerd. Dit doet af aan de rechtszekerheid van de gedupeerden. Het had naar de mening van eiseres eerlijker en transparanter geweest richting de gedupeerden om als opeisbaarheidsdatum aan te sluiten bij de datum van inwerkingtreding van de Wht, namelijk 5 november 2022. Op die datum is immers pas concreet geworden welke schulden onder welke voorwaarden in aanmerking komen voor overname. Daar komt bij dat de Wht een wet in de formele zin is, die in rang boven de brief staat. Als alternatief zou ook de datum waarop een ouder is aangemerkt als gedupeerde aangehouden kunnen worden. In het geval van eiseres is dat 1 september 2022. Omdat eiseres eerst toen als gedupeerde is aangemerkt, kon zij ook niet anticiperen op het ontstaan van deze regeling en kan haar niet worden tegengeworpen dat zij welbewust schulden is aangegaan. Gelet hierop doet eiseres subsidiair een beroep op de hardheidsclausule.
3.2.
Ook is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel. Bij besluit van 18 januari 2023 is bij eiseres de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat haar schuld bij ABN AMRO wordt betaald. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst zij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling).
Wat zijn de regels?
4. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt verweerder een geldschuld over als deze:
- is ontstaan na 31 december 2005 (sub a);
- vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden (sub b); en
- niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (sub c).
4.1.
Schulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn de resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt voorop dat het beroep van eiseres enkel ziet op de schuld bij ABN AMRO met referentie [nummer 1]. Eiseres heeft het rekening courant krediet, ter hoogte van € 44.708 afgesloten op 30 juli 2008.
5.1.
De schuld aan ABN AMRO betreft een financieel product van een bankinstelling. Voor deze schuld gelden de wettelijke cumulatieve eisen die in artikel 4.1, tweede lid en artikel 4.1, vierde lid, van de Wht staan. De resterende schuld kan slechts overgenomen worden door SBN indien deze schuld vóór 1 juni 2021 (volledig) opeisbaar is geworden. Uit het mailbericht van 28 december 2022 en de brief van 24 juni 2022 blijkt niet dat er op 31 mei 2021 sprake is van een opeisbare achterstand, omdat eiseres binnen het limiet heeft gebankierd. ABN AMRO heeft nadrukkelijk verklaard dat er geen vordering op eiseres aanwezig was die binnen de regeling valt, noch dat er sprake is geweest van achterstallige (rente)betalingen. Het saldo van eiseres haar rekening courant bij de ABN AMRO is dan ook niet opeisbaar geworden in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juni 2021.
5.2.
Eiseres had op grond van de kredietovereenkomst de mogelijkheid om naar behoefte geld op te nemen en af te lossen binnen het afgesproken kredietlimiet. Zij betaalde periodiek rente over het uitstaande bedrag. Als de rente niet op tijd werd betaald, zou er een achterstand in rentebetaling ontstaan. De ABN AMRO had conform artikel 15 van de ABOK van juli 2018, wel de mogelijkheid om op ieder moment de kredietovereenkomst op te zeggen. Maar een doorlopend krediet (de hoofdsom) kon alleen onder bepaalde voorwaarden, die in de kredietovereenkomst en de algemene bepalingen zijn vastgelegd, opeisbaar worden. De stelling van eiseres dat het krediet bij ABN AMRO conform artikel 4 van de ABOK, van december 2009, altijd opzegbaar is en dus opeisbaar, is dus niet juist. In de situatie van eiseres deden zich geen opeisingsgronden voor.
5.3.
Het vereiste van de opeisbaarheid vloeit voort uit de wet. Dit vereiste is dwingend geformuleerd en daarop zijn geen uitzonderingen geformuleerd. Hoewel het voor eiseres wellicht niet eerlijk voelt dat haar schuld niet wordt betaald, laat dit onverlet dat de regeling voor het betalen van private schulden niet tot doel heeft om gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen. Uit de memorie van toelichting bij de Wht volgt dat de regeling voor het overnemen van private schulden bedoeld is om gedupeerde ouders zo veel mogelijk kans te bieden op een nieuwe start. Doordat alleen de opeisbare betalingsachterstanden en hoofdsommen worden overgenomen, wordt beoogd te voorkomen dat een gedupeerde in de problemen komt door incassomaatregelen. De rechtbank wijst er daarbij op, zonder af te willen doen aan de gevolgen die de toeslagenaffaire voor haar heeft, dat eiseres in de relevante periode niet kampte met de incassomaatregelen waar andere ouders met private schulden wel mee kampten. Voor deze laatsten is deze regeling bedoeld. Overigens worden hun schulden dan niet helemaal overgenomen, maar alleen het opeisbare deel van de schuld. De regeling ziet dus niet op een situatie zoals die van eiseres, waarbij geen sprake is van vóór 1 juni 2021 opeisbaar geworden schulden. Deze datum sluit aan bij de bekendmaking van de regeling voor private schulden, zoals dat is gebeurd bij brief van 25 mei 2021.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de Belastingdienst/Toeslagen.
Zie Memorie van Toelichting van de Wht
ECLI:NL:RVS:2019:1694.
Dit geldt ten aanzien van andere dan hypothecaire leningen, zie artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht.
Algemene bepalingen voor het ondernemerskrediet
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 38.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 43 en 45.
Dit betreft de uitspraken ECLI:NL:RVS:2024:2040 en ECLI:NL:RVS:2024:2045.
Dit betreft de uitspraken ECLI:NL:RVS:2024:2040 en ECLI:NL:RVS:2024:2045.
ECLI:NL:RVS:2019:1694