Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:23672
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,423 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6568
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. P. van Baaren),
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven
(gemachtigde: mr. M.E.H. Vos-Nijp).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de toegekende uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
1.1.
Bij het besluit van 9 april 2024 heeft verweerder een uitkering toegekend. Met het bestreden besluit van 3 juni 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2024 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering omdat zij slachtoffer is geworden van een geweldsmisdrijf. Verweerder heeft aan eiseres een uitkering van € 1.000,- toegekend. Dit bedrag hoort bij letselcategorie 1. Eiseres stelt dat zij in aanmerking komt voor een hogere uitkering. Deze zaak gaat over de vraag of eiseres in aanmerking komt voor een uitkering die hoort bij een hogere letselcategorie.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres vindt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij bedreiging met een mes of pistool wordt psychisch letsel verondersteld en wordt er een uitkering uit categorie 2 toegekend. Eiseres vindt dat de angst die zij heeft ervaren net zo erg is als de angst die wordt veroorzaakt bij bedreiging met een mes of pistool. De handen van een sterke man zijn ook een dodelijk wapen. Het feit dat het zwart werd voor de ogen van eiseres betekent dat coma nabij was. De dood had dus ook nabij kunnen zijn. Verder moeten gelijke gevallen, gelijk worden behandeld en dus moet eiseres ook een uitkering uit letselcategorie 2 krijgen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het besluit over een uitkering uit het schadefonds beslissingsruimte heeft. De rechtbank moet dat besluit terughoudend toetsen. Volgens vaste rechtspraak zijn de beleidsregels die verweerder daarbij hanteert in ieder geval niet onredelijk. Verweerder mag daar dus van uitgaan. De beleidsregels zijn hier door verweerder ook toegepast.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid kan stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een uitkering op basis van een hogere letselcategorie. Eiseres heeft niet, met objectieve (medische) informatie, onderbouwd dat zij langdurig lichamelijk letsel of blijvende medische gevolgen heeft opgelopen door het misdrijf. Verweerder kan niet beoordelen of het letsel aanleiding geeft voor een tegemoetkoming uit het schadefonds, want zij heeft geen medische informatie ontvangen. Verweerder heeft eisers toch, gelet op de omstandigheden, een tegemoetkoming toegekend. Verweerder achtte het niet redelijk om de aanvraag af te wijzen, maar op basis van het beleid en de letsellijst zou eiseres in beginsel geen recht hebben gehad op een tegemoetkoming. Verder is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het pakken bij de kraag niet gelijk gesteld kan worden met bijvoorbeeld een bedreiging met een mes of een vuurwapen. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid kan concluderen dat eiseres geen uitkering op basis van een hogere letselcategorie krijgt.
4.2.
Dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel dan wel enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is de rechtbank niet gebleken.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen uitkering op basis van een hogere letselcategorie krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van J.M. Coerts, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 december 2015 ECLI:NL:RVS:2015:3740 en 21 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:568)