Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-26
ECLI:NL:RBDHA:2024:2362
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Mondelinge uitspraak
1,095 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.40307 (beroep)
NL23.40308 (voorlopige voorziening)
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. T.J.M. Schilder).
Procesverloop
In het besluit van 22 december 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn samen op 26 januari 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn advocaat zijn, met afbericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting is er onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
1. Verweerder heeft op 16 januari 2024 aan de rechtbank gemeld dat eiser de opvang heeft verlaten en met onbekende bestemming is vertrokken.
2. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd op 22 januari 2024 bericht dat zij gedurende de asielprocedure telefonisch contact heeft gehad met eiser via een familielid dat voor hem tolkte. De gemachtigde heeft ook aangegeven niet te weten waar eiser verblijft. In het bericht van 25 januari 2024 heeft eisers gemachtigde herhaald dat zij telefonisch contact heeft gehad met eiser via een voor hem tolkend familielid.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uitgegaan dient te worden dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert onder meer dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft en waar hij verblijft.
4. In dit geval heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat zij tijdens de beroepsprocedure telefonisch contact heeft gehad met eiser via een tolkend familielid, maar zij heeft niet verklaard bekend te zijn met zijn verblijfplaats en adres. Het enkel hebben van (indirect) contact met eiser is echter onvoldoende om procesbelang aan te nemen. Eiser noch zijn gemachtigde is vervolgens op zitting verschenen. Nu niet is gebleken dat eisers gemachtigde weet dat hij nog in Nederland verblijft en waar hij verblijft, concludeert de rechtbank dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en daarom geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn beroep.
5. Het beroep is niet-ontvankelijk.
6. Gezien deze beslissing van de rechtbank op het beroep, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2024 door mr. M. Kraefft, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp-Lopar, griffier
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3988.