Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-05
ECLI:NL:RBDHA:2024:23613
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,748 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.8819 (beroep) en NL23.8821 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiserV-nummer: [#] ,
(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Denishin).
Procesverloop
Bij besluit van 25 augustus 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’ afgewezen.
Bij besluit van 24 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn tegelijk op 15 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1981 en heeft de Tunesische nationaliteit.
1.1
Eiser heeft op 8 augustus 2016 een aanvraag ingediend voor verblijf als familie- of gezinslid bij zijn Nederlandse echtgenote. Deze aanvraag is op 4 november 2016 afgewezen. Vervolgens is op 4 januari 2017 het bezwaar gegrond verklaard en heeft eiser een verblijfsvergunning gekregen.
1.2
Op 9 februari 2018 heeft de echtgenote van eiser aan verweerder laten weten dat de echtscheiding is aangevraagd en dat eiser niet meer in Nederland is. Verweerder heeft vervolgens op 21 juni 2018 de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht vanaf 3 februari 2018 ingetrokken. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld. Hij heeft zijn beroep op 31 maart 2019 ingetrokken.
1.3
Vervolgens heeft eiser op 14 november 2021 van verweerder een brief ontvangen om hem eraan te herinneren dat zijn verblijfsvergunning binnenkort zou verlopen en waarin hem werd aangeraden tijdig een nieuwe aanvraag in te dienen (hierna: de herinneringsbrief). Verder heeft eiser van verweerder tweemaal een verblijfssticker gekregen waarmee hij mocht werken, te weten op 9 maart 2022, geldig tot 12 augustus 2022, en op 10 augustus 2022, geldig tot 10 november 2022.
1.4
Op 9 februari 2022 heeft eiser een aanvraag gedaan voor een ‘verblijfsvergunning EU langdurig ingezetene’. Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen omdat eiser sinds 3 februari 2018 niet meer in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Vervolgens is eiser gehoord. Verweerder heeft het bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Bestreden besluit
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat hij op het moment van de aanvraag, dan wel de beslissing, vijf jaar zonder onderbreking in Nederland heeft gewoond op basis van een geldige verblijfsvergunning regulier voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel. Zijn verblijfsvergunning is namelijk met ingang van 3 februari 2018 ingetrokken.
2.1
Verweerder stelt dat met het besluit van 21 juni 2018 ondubbelzinnig aan eiser is duidelijk gemaakt dat hij geen verblijfsrecht meer heeft in Nederland. Verweerder heeft verzuimd het verblijfspasje van eiser ongeldig te verklaren (ofwel verzuimd de juiste code in het systeem Indigo in te voeren) waardoor de verblijfsstatus van eiser actief is gebleven. Dit valt verweerder aan te rekenen. Eiser kan echter geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel. Hij heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat verweerder toezeggingen of andere uitlatingen heeft gedaan of gedragingen heeft verricht waaruit eiser in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat hij rechtmatig verblijf had.
2.2
Ook eisers beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt volgens verweerder niet. Eiser heeft weliswaar privéleven opgebouwd in Nederland, maar de belangenafweging valt in zijn nadeel uit. Er bestaat geen aanleiding wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels en eisers aanvraag toch in te willigen.
Wat vindt eiser?
3 Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Door in zijn persoonlijk overzicht in het systeem van verweerder maar ook bij overige overheidsinstanties op te nemen dat hij rechtmatig verblijf had in Nederland, is bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat verweerder zijn verblijfsrecht toch niet had ingetrokken. Dit geldt eveneens voor de herinneringsbrief die hij van verweerder heeft ontvangen. Het is volgens eiser niet ongebruikelijk dat verweerder een besluit intrekt, wat in dit geval zou betekenen dat zijn verblijfsrecht toch niet zou zijn ingetrokken. Eiser verwijst verder naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 29 mei 2019. Daaruit volgt dat verweerder het belang van eiser, nu bij hem de gerechtsvaardigde verwachtingen zijn gewekt dat hij rechtmatig verblijf had, had moeten meewegen. Dit belang weegt volgens eiser zwaarder dan het belang van de Staat.
Mocht eiser erop vertrouwen dat hij rechtmatig verblijf had?
4 Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moeten drie stappen worden doorlopen. Allereerst moet de betrokkene aannemelijk maken dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval als de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Als beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent namelijk niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan.
4.1
Naar het oordeel van de rechtbank is in eisers geval niet aan de eerste stap voldaan. Bij het besluit van 21 juni 2018 is eisers verblijfsvergunning ingetrokken en dit besluit is rechtsgeldig bekend gemaakt. Eiser heeft nimmer een besluit van verweerder ontvangen waaruit volgt dat zou worden afgezien van de intrekking van de verblijfsvergunning. Het valt verweerder aan te rekenen dat verweerder het verblijfspasje van eiser niet ongeldig heeft gemaakt, een herinneringsbrief naar eiser heeft gestuurd en tweemaal aan eiser een verblijfssticker heeft gegeven. De herinneringsbrief en de verblijfsstickers roepen zeker vragen op omdat deze niet passen bij een ingetrokken verblijfsrecht, maar zijn geen toezeggingen, uitlatingen of gedragingen van verweerder waaruit eiser kon en mocht afleiden dat zijn verblijfsrecht toch niet zou zijn ingetrokken. Bovendien rust op eiser in het kader van een beroep op het vertrouwensbeginsel een onderzoeksplicht. Hij had zich, al dan niet via zijn gemachtigde, tot verweerder kunnen wenden en om nadere uitleg kunnen vragen over zijn verblijfsstatus. Nu hij dit heeft nagelaten, heeft eiser niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Reeds gelet op al het voorgaande slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet.
Kan de belangenafweging standhouden?
5. Eiser voert aan dat verweerder bij zijn besluitvorming ten onrechte niet heeft betrokken dat hij nooit ten laste van de Nederlandse staat is gekomen. Hij heeft juist altijd gewerkt en wil hiermee doorgaan. Eiser heeft in Tunesië alles opgegeven en heeft in Nederland zijn leven opgebouwd en zich enorm ingespannen om in te burgeren. Hij is inmiddels 42 jaar oud en vreest dat hij in Tunesië niet meer zal worden opgenomen in de samenleving en geen baan zal kunnen vinden.
5.1
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser privéleven heeft opgebouwd in Nederland. De vraag is echter of de belangenafweging in zijn nadeel mocht uitvallen. De rechtbank kan verweerder volgen in zijn standpunt dat dit mocht. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser het grootste deel van zijn leven in Tunesië heeft gewoond en gewerkt en dat hij daar de cultuur kent waardoor hij sterke banden heeft met Tunesië. De banden met Nederland zijn daarentegen minder sterk.
Conclusie
7 Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
8. Omdat met deze uitspraak op het beroep is beslist, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. Het verzoek daartoe wijst de voorzieningenrechter daarom af.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R. Moes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:NL:RVS:2019:1694.
ECLI:NL:RVS:2019:1694 en ECLI:NL:RVS:2021:2571.
Algemene wet bestuursrecht.