Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:23584
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - meervoudig
9,780 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Zaak- en rekestnummers
C/09/652231 en FA RK 23-5849 (echtscheiding)
C/09/661440 en FA RK 24-1126 (verdeling)
Datum beschikking: 22 augustus 2024
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 11 augustus 2023 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.M. Emeis te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Schreuders te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift, tevens zelfstandige verzoeken, van de vrouw, binnen gekomen op
26 oktober 2023;
het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken, van de man, binnen gekomen op
24 november 2023;
het F9-formulier met bijlagen van 26 december 2023 van de vrouw;
het verweerschrift op de aanvullende zelfstandige verzoeken, van de man, binnen gekomen op 9 februari 2024;
het F9-formulier met bijlagen van 30 juni 2024 van de vrouw;
het F9-formulier met bijlagen van 5 juli 2024 van de man;
het F9-formulier van 8 juli 2024 van de vrouw.
De minderjarige, [de minderjarige] , heeft in een gesprek met de voorzitter van de meervoudige kamer, tevens kinderrechter, zijn mening gegeven.
Op 10 juli 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
partijen, ieder bijgestaan door hun advocaat;
[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Namens de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.
Namens de vrouw is in het F9-formulier van 8 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen de op 5 juli 2024 door de man ingediende aanvullende producties. Deze producties betreffen recente inkomensgegevens van de man. Omdat deze producties qua omvang gering zijn en qua inhoud eenvoudig te doorgronden, acht de rechtbank de indiening hiervan niet in strijd met de goede procesorde en zijn de stukken toegelaten.
Feiten
Partijen zijn gehuwd op [datum] 1999 te [plaats 1] .
Zij zijn, als gevolg van adoptie in Zuid-Afrika, de ouders van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] , Zuid-Afrika.
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
[de minderjarige] verblijft op dit moment bij de man;
Volgens een uittreksel uit de Basisregistratie Personen hebben beide partijen de Nederlandse nationaliteit.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
bepaling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man;
bepaling dat de man belast zal zijn met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] ;
ontzegging van de omgang tussen [de minderjarige] en de vrouw voor onbepaalde tijd;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vrouw voert – onder referte ten aanzien van de echtscheiding en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] – nog verweer tegen de overige verzoeken van de man, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de vrouw, na wijziging, zelfstandig om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
inwinning van advies bij de Raad ten aanzien van het gezag en de omgang;
benoeming van een nader te bepalen psycholoog en/of orthopedagoog tot bijzondere curator over [de minderjarige] , teneinde zijn belangen waar te nemen en hem zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen;
bepaling van (begeleid) contactherstel tussen de vrouw en [de minderjarige] , met inachtneming van het advies van de bijzondere curator en de Raad;
vaststelling van een regeling inzake de informatie – en consultatieplicht van de man jegens de vrouw tot het moment waarop [de minderjarige] de meerderjarigheid zal hebben bereikt, die de volgende inhoud zal hebben:
- het verstrekken van een actuele foto van [de minderjarige] en de volgende informatie, eens per 14 dagen per e-mail:
a. update over de voortgang op school, met leerprestaties;
b. voortgang van de medische behandelingen, waaronder traumabehandeling en dieet;
c. financiële zaken;
op straffe van een dwangsom van € 250,- per niet-nakoming, althans een zodanige regeling te treffen als de rechtbank juist en redelijk acht;
bepaling dat de vrouw zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met € 25,- per maand, bij vooruitbetaling per maand aan de man te voldoen, met ingang van de eerste dag volgend op de door de rechtbank te wijzen beschikking;
bepaling dat de man, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met € 1.998,- bruto per maand, bij vooruitbetaling per maand aan haar te voldoen;
vaststelling van de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap, aldus dat aan de vrouw worden toegedeeld de helft van de waarde van de bezittingen van partijen, zijnde de verkoopopbrengst van de guesthouses en de waarde van de (aandelen in) de bedrijven van (één der) partijen, alsmede de inboedel, en daarbij bepaling dat de schulden en kosten die zonder toestemming van de vrouw zijn gemaakt volledig voor rekening van de man komen, in afwijking van de hoofdregel dat schulden bij helfte door partijen worden gedragen;
veroordeling van de man tot nakoming van de exhibitieplicht, in de zin van artikel 843a Rv, terzake alle bezittingen en schulden van partijen genoemd in producties 23 en 26 t/m 29 van de vrouw, binnen twee weken na heden, althans binnen een zodanige termijn als de rechtbank in goede justitie juist acht, voorafgaand aan een nog te plannen zitting, op straffe van een zodanige dwangsom die de rechtbank in goede justitie juist acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert – onder referte ten aanzien van het verzoek omtrent de kinderalimentatie – nog verweer tegen de overige zelfstandige verzoeken van de vrouw, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).
Naar het oordeel van de rechtbank is uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken voldoende gebleken dat partijen niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Omdat de rechtbank in het hiernavolgende een beslissing zal nemen op de nog voorliggende geschilpunten rondom [de minderjarige] , zal zij voorbijgaan aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv en partijen ontvangen in hun over en weer gedane verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.
Beoordeling
Beide partijen verzoeken de rechtbank om de echtscheiding uit te spreken. Tussen partijen staat daarmee vast dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De verzoeken tot echtscheiding worden daarom, als op de wet gegrond, toegewezen.
Verzoeken over [de minderjarige]
De rechtbank ziet aanleiding om ten aanzien van de verzoeken over [de minderjarige] eerst het volgende te overwegen.
Adoptie en ouderlijk gezag
[de minderjarige] is in Zuid-Afrika door partijen geadopteerd. De rechtbank heeft ambtshalve vastgesteld dat deze adoptie in Nederland kan worden erkend, omdat de betreffende Zuid-Afrikaanse adoptiebeslissing voldoet aan de vereisten van artikel 10:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Als gevolg van de adoptie zijn partijen de ouders geworden met naar Zuid-Afrikaans recht ouderlijk gezag (custody en guardianship) over [de minderjarige] , welk gezag de ouders hebben behouden nadat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] is verplaatst naar Nederland.
Voorgeschiedenis
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken blijkt het hierna volgende. De vrouw had in ieder geval al een aantal jaren last van ernstige psychische problematiek. In januari 2021 is de vrouw opgenomen geweest in de [kliniek] in [plaats 2] voor hulp bij deze psychische problematiek en haar suïcidale gedachten. De man en de vrouw deelden de zorg voor [de minderjarige] , maar in verband met de mentale klachten van de vrouw lagen veel van de zorgtaken voor [de minderjarige] bij de man. [de minderjarige] stond vanaf 2019 in Zuid-Afrika eveneens onder behandeling van een psycholoog.
In mei 2021 heeft de man aan de vrouw laten weten dat hij wilde scheiden. Partijen hadden toen het voornemen om zich beiden, zij het apart van elkaar, in Nederland te vestigen en de zorg voor [de minderjarige] in Nederland te delen. Eind 2021 is het gezin naar Nederland gekomen. De man is vervolgens alleen teruggegaan naar Zuid-Afrika voor de financiële afwikkeling aldaar. Partijen hadden in Zuid-Afrika onder andere twee “bed and breakfast” gasthuizen. Mede door de corona periode kwamen daar geen gasten meer en zijn partijen in financiële problemen geraakt. De aankomende echtscheiding en de grote schuldenlast zorgde bij de vrouw voor een verergering van haar psychische problematiek. Op 5 februari 2022 heeft een ernstige gebeurtenis plaatsgevonden: de vrouw heeft geprobeerd om [de minderjarige] en zichzelf van het leven te beroven via een overdosis aan medicatie. De vrouw is in verband hiermee bij vonnis van 6 januari 2023 door de meervoudige strafkamer in deze rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar, met aftrek van voorarrest, en TBS met voorwaarden. De vrouw stelt dat zij zich de gebeurtenissen van 5 februari 2022 niet meer kan herinneren. Zij heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak. In augustus 2024 zal in de strafzaak tegen de vrouw een regiezitting bij het hof plaatsvinden.
Na de gebeurtenis van 5 februari 2022 is de man direct naar Nederland gekomen. Vervolgens wilde hij met [de minderjarige] terugkeren naar Zuid-Afrika. De vrouw heeft de man toen geen toestemming voor die reis willen geven. De (advocaat van de) vrouw vreesde dat zij [de minderjarige] , als hij met de man naar Zuid-Afrika zou teruggaan, niet meer zou terugzien. Via een kort geding procedure heeft de man deze toestemming alsnog verkregen en daarna is hij met [de minderjarige] teruggekeerd naar Zuid-Afrika.
De man is daarna twee keer met [de minderjarige] naar Nederland gekomen, maar ook die reizen hebben tot problemen tussen partijen geleid. In augustus 2022 wilde de man met [de minderjarige] naar Nederland reizen om afscheid te kunnen nemen van zijn broer, die ernstig ziek was geworden. De vrouw wilde hiervoor alleen toestemming geven onder voorwaarden, namelijk dat zij de vluchtgegevens zou ontvangen én dat er contact zou zijn tussen [de minderjarige] en haar zus in de periode dat de man en [de minderjarige] in Nederland zouden verblijven. De man ging niet akkoord met deze voorwaarden en stelt dat hij daarom in Zuid-Afrika een kort geding procedure is gestart voor vervangende toestemming. De vrouw stelt dat zij van die procedure niet op de hoogte was en stelt dat zij uiteindelijk ook toestemming heeft gegeven voor deze reis. Na het afscheid van zijn broer zijn de man en [de minderjarige] weer teruggegaan naar Zuid-Afrika.
In april 2023 zijn de man en [de minderjarige] opnieuw naar Nederland gereisd omdat de man de echtscheiding tussen partijen wilde kunnen regelen. De man heeft de vrouw toen niet om toestemming gevraagd. Nadat de vrouw vernam dat de man en [de minderjarige] weer in Nederland waren, wilde zij weten hoe het mogelijk was dat de man en [de minderjarige] weer naar Nederland waren gereisd, zonder dat zij hiervoor haar toestemming had verleend. Volgens de vrouw heeft haar advocaat in Zuid-Afrika toen nader onderzoek gedaan. Wat dat onderzoek precies behelsde is in deze procedure niet duidelijk geworden. Wel duidelijk is dat de man als gevolg hiervan – volgens de vrouw niet door haar beoogd – in Zuid-Afrika op een zogenaamde “V-list/ No Entry List” is geplaatst, waardoor de man bij terugkeer naar Zuid-Afrika een risico loopt op strafrechtelijke vervolging wegens kinderontvoering. De man en [de minderjarige] zijn daarom niet teruggekeerd naar Zuid-Afrika en verblijven sinds april 2023 in Nederland. De man is inmiddels, mede om financiële redenen, voornemens om met [de minderjarige] in Nederland te blijven. [de minderjarige] gaat in Nederland naar school.
Op dit moment is de voorlopige hechtenis van de vrouw geschorst en woont zij via begeleid wonen in een eigen wooneenheid. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zijn nog altijd diverse voorwaarden verbonden, waaronder (beschikking hof Den Bosch van 7 maart 2024, productie 37 van de vrouw): “8. dat de verdachte gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis op geen enkele wijze contact zal opnemen met [de minderjarige] , zo lang het Openbaar Ministerie en/of de zorginstelling dit noodzakelijk acht” en “14. dat de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen en afspraken die behandelaren en reclassering aan haar geven over het contact met haar zoon”.
De vrouw heeft sinds februari 2022 geen contact meer met [de minderjarige] gehad.
Na de gebeurtenis heeft [de minderjarige] aanvankelijk in Zuid-Afrika psychische hulp gekregen. Daarna is in Nederland het Sociaal Kernteam (hierna: SKT) betrokken geweest voor hulpverlening. [de minderjarige] heeft behandeling ontvangen van een orthopedagoog, die ook advies heeft gegeven over wenselijke vervolgbehandeling. In het kader van de strafrechtelijke procedure is [de minderjarige] ook onderzocht door een GZ-psychologe, die heeft beoordeeld of [de minderjarige] als getuige gehoord zou kunnen worden in de hoger beroepsprocedure. Deze GZ-psychologe heeft vervolghulpverlening geadviseerd bij een traumacentrum in Utrecht. Vervolgens heeft het SKT [de minderjarige] doorverwezen naar dit traumacentrum. [de minderjarige] zal vanaf september 2024 kunnen starten met deze hulpverlening. Deze behandeling was nog in afwachting van de toestemming van de vrouw, maar daarvan was de vrouw niet op de hoogte. Op de zitting heeft de vrouw toegezegd dat zij haar toestemming hiervoor zal verlenen en de betrokken advocaten zullen dit verder in onderling overleg regelen.
Hieronder zal de rechtbank afzonderlijk de verzoeken over [de minderjarige] behandelen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht ten aanzien van de verzoeken over [de minderjarige]
Krachtens artikel 7, eerste lid, van Verordening (EG) nr.
Dictum
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 1999 te [plaats 1] ;
*
bepaalt dat voortaan alleen aan de man, [de man] , geboren op
[geboortedatum 2] 1974 te [geboorteplaats 2] , het gezag zal toekomen over de minderjarige:
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] , Zuid-Afrika;
*
bepaalt dat de man, via mevrouw [naam 2] als tussenpersoon, met ingang van 1 september 2024, de vrouw iedere drie maanden schriftelijk informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van [de minderjarige] , zijn medische behandelingen en zijn financiën en daarbij zal voegen een kopie van het laatste schoolrapport en een goed gelijkende recente kleurenfoto;
*
bepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 25,- per maand, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. van der Vliet, A.M. Brakel en E.D.A. Geleijns, (kinder)rechters, bijgestaan door mr. A.M. Lokhorst als griffier, en bij afwezigheid van de voorzitter door de oudste rechter uitgesproken op de openbare zitting van 22 augustus 2024.
Beoordeling
2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II ter) zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn of haar gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd om van de verzoeken ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid kennis te nemen.
Op grond van artikel 17 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht op deze verzoeken van toepassing.
Onderzoek door de Raad en benoeming van een bijzondere curator
De vrouw verzoekt om de Raad een onderzoek te laten verrichten naar de gezagssituatie over [de minderjarige] en een zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vrouw en de daarop gerichte verzoeken van de man aan te houden, in afwachting van de uitkomst van dit onderzoek. Daarnaast vindt de vrouw het in het belang van [de minderjarige] dat er een bijzondere curator wordt benoemd ex artikel 1:250 BW, die zijn belangen behartigt.
De rechtbank acht een raadsonderzoek of de benoeming van een bijzondere curator in dit stadium te belastend voor [de minderjarige] . Zoals de Raad heeft aangegeven is het voor [de minderjarige] op dit moment het belangrijkste dat hij hulp krijgt. Hem daarnaast belasten met gesprekken met de Raad of een bijzondere curator zou de hulpverlening in het kader van zijn traumabehandeling kunnen belemmeren. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat hij de rust en ruimte ervaart om zich volledig te richten op zijn traumaverwerking. Bovendien acht de rechtbank zich ook voldoende geïnformeerd om nu op de verzoeken ten aanzien van het gezag over [de minderjarige] en de omgang met [de minderjarige] te kunnen beslissen. De verzoeken van de vrouw ten aanzien van een raadsonderzoek en de benoeming van een bijzondere curator worden daarom afgewezen.
Gezag, hoofdverblijfplaats en informatieregeling
Gezag
Het wettelijk uitgangspunt is dat beide ouders na ontbinding van het huwelijk het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechter op verzoek bepalen dat het gezag over het kind aan één ouder toekomt, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Op grond van artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter hierover een regeling vaststellen.
De gebeurtenis van 5 februari 2022 heeft een grote impact gehad op partijen en [de minderjarige] . Ook op de zitting is gebleken dat de man het emotioneel niet aankan om contact te hebben met de vrouw. De man heeft geen enkel vertrouwen meer in de vrouw. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder deze omstandigheden in redelijkheid niet van hem worden verwacht dat hij met de vrouw overlegt met betrekking tot het gezamenlijk nemen van beslissingen over [de minderjarige] . De rechtbank is, overeenkomstig het door de Raad ter zitting gegeven advies, van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico is dat, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag, belangrijke zaken rondom [de minderjarige] , zoals de voor hem benodigde hulpverlening, vertraging zullen oplopen, waardoor [de minderjarige] klem en verloren zal raken. Gezien de ernst van de gebeurtenis en tevens de daarop volgende ontwikkelingen omtrent het beperken van reizen van de man en [de minderjarige] tussen Zuid-Afrika en Nederland, is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de vrouw dat zij vreest dat zij, bij wijziging van het gezag, uit het leven van [de minderjarige] zal worden geweerd. De rechtbank verwijst in dat verband naar hetgeen zij hierna in het kader van de omgang overweegt. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] toewijzen.
Hoofdverblijf
Omdat de vader voortaan alleen het gezag over [de minderjarige] zal toekomen, heeft hij geen belang meer bij dit verzoek. Op grond van artikel 1:12 lid 1 BW volgt een minderjarige de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent, zodat [de minderjarige] hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben. Dit verzoek wordt daarom bij gebrek aan belang afgewezen.
Informatieregeling
Net als de Raad, acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] wenselijk dat de man de vrouw regelmatig over [de minderjarige] informeert. De man is daartoe ook verplicht. Op de zitting is met partijen besproken hoe deze informatievoorziening, gelet op de moeizame onderlinge communicatie, zou kunnen plaatsvinden. Partijen zijn op de zitting overeengekomen dat de echtgenote van een vriend van de man, mevrouw [naam 2] , als tussenpersoon zal fungeren voor de informatievoorziening aan de vrouw. De man zal mevrouw [naam 2] informeren over [de minderjarige] . Mevrouw [naam 2] zal deze informatie vervolgens aan de vrouw geven. De rechtbank zal voor deze informatieregeling een frequentie van één keer per drie maanden vaststellen. De man dient binnen deze frequentie informatie te verstrekken met betrekking tot gewichtige aangelegenheden rondom [de minderjarige] , waaronder informatie over school, medische aangelegenheden zoals de hulpverleningstrajecten die hij volgt, financiën, hobby’s et cetera. Hierbij dient de man ook een goedgelijkende en recente (kleuren)foto mee te sturen. Deze informatieregeling zal ingaan per 1 september 2024, zijnde het moment dat [de minderjarige] zal beginnen aan zijn behandeling bij het traumacentrum.
Omdat de rechtbank ervan uitgaat dat de man zich aan de beslissing zal houden, zal zij de door de vrouw verzochte dwangsom afwijzen.
Omgang tussen [de minderjarige] en de vrouw
De man verzoekt ontzegging van de omgang tussen [de minderjarige] en de vrouw. Een dergelijk verzoek kan slechts in bijzondere gevallen worden toegewezen (artikel 1:377a lid 3 BW). In het geval van [de minderjarige] moet de rechtbank toetsen of sprake is van één van de volgende situaties, namelijk dat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] , de moeder ongeschikt of niet in staat is tot omgang, [de minderjarige] ernstige bezwaren tegen omgang met zijn moeder heeft, of omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van [de minderjarige] .
De rechtbank overweegt als volgt. Op dit moment is er in het strafrechtelijk kader sprake van een omgangs/contactverbod tussen [de minderjarige] en de vrouw. Zolang dit verbod loopt, kan de vrouw geen omgang/contact met [de minderjarige] hebben. [de minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter bovendien duidelijk gemaakt dat hij momenteel geen ruimte heeft voor contact met de vrouw. De rechtbank zal daarom geen (begeleide en opbouwende) omgangsregeling tussen de vrouw en [de minderjarige] vaststellen. De rechtbank ziet, zoals hiervoor reeds overwogen, ook geen aanleiding om de Raad te gelasten een onderzoek te doen naar de mogelijkheden tot contactherstel tussen de vrouw en [de minderjarige] . Een dergelijk onderzoek wordt momenteel voor [de minderjarige] te belastend geacht.
Beoordeling
Voor nu is van belang dat [de minderjarige] in alle rust de benodigde traumabehandeling kan krijgen en de gebeurtenissen kan verwerken.
De rechtbank zal het recht op omgang tussen de vrouw en [de minderjarige] echter ook niet ontzeggen. In september start de traumabehandeling van [de minderjarige] . De rechtbank sluit niet uit dat (professioneel begeleide) omgang tussen [de minderjarige] en de vrouw op enig moment in de toekomst mogelijk juist helpend voor [de minderjarige] kan zijn in het kader van de traumaverwerking. Een ontzegging van omgang moet daaraan niet in de weg staan. De man heeft ter zitting bevestigd dat, als dat door de behandelaar van [de minderjarige] inderdaad van belang wordt geacht voor zijn traumaverwerking, de man hieraan ook zijn medewerking zal verlenen. Daarmee is aan de gronden voor ontzegging niet voldaan.
De rechtbank zal op grond van het voorgaande de over en weer gedane verzoeken ten aanzien van de omgang met [de minderjarige] of de ontzegging daarvan, afwijzen.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, omdat de onderhoudsgerechtigde ( [de minderjarige] ) zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Volgens artikel 3 van het Haagse Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen is Nederlands recht op dit verzoek van toepassing, omdat de onderhoudsgerechtigde ( [de minderjarige] ) zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
De vrouw ontvangt een uitkering uit hoofde van de Participatiewet. Zij verzoekt te bepalen dat wordt vastgesteld dat zij de minimale bijdrage voor [de minderjarige] aan de man zal voldoen, zijnde € 25,- per maand. De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Gezien de referteverklaring van de man zal de rechtbank het verzoek van de vrouw, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van de in het kader van de kinderalimentatie genoemde artikelen heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om op grond van Nederlands recht te beslissen op het verzoek van de vrouw ten aanzien van partneralimentatie, omdat de onderhoudsgerechtigde (de vrouw) haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
De vrouw stelt dat zij behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud. De man weerspreekt dat en stelt bovendien onvoldoende draagkracht te hebben. De man heeft bovendien aangegeven dat hij vindt dat de vrouw, gezien haar daden richting [de minderjarige] en haar veroordeling hiervoor, geen recht meer heeft op partneralimentatie. Dat verweer slaagt en de rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:157 lid 1 BW kan de rechter aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn of haar levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen. Bij de beantwoording van de vraag of van een gewezen echtgenoot een dergelijke bijdrage kan worden gevergd en, zo ja, tot welk bedrag, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder vallen ook niet-financiële factoren, zoals gedragingen van de alimentatiegerechtigde. In uitzonderlijke gevallen kan grievend gedrag van één van de gewezen echtgenoten ten opzichte van de ander tot de conclusie leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de gewezen echtgenoot een (volledige) bijdrage in het levensonderhoud te verlangen (vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2058 en HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695). In het algemeen geldt dat bij de beoordeling of een zodanige situatie zich voordoet terughoudendheid moet worden betracht, mede gelet op het onherroepelijke karakter van een beëindiging dan wel matiging. Ook dient te worden bedacht dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk, dan wel echtscheiding, gepaard gaat met emoties. Niet iedere vorm van wangedrag of grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen of te beëindigen.
Het is aan de alimentatieplichtige om feiten en omstandigheden te stellen die tot dat oordeel kunnen leiden.
De man heeft eind december 2021 [de minderjarige] aan de zorgen van de vrouw toevertrouwd, terwijl hij in Zuid-Afrika de gezamenlijke onderneming van partijen moest afwikkelen. De vrouw heeft dat vertrouwen ernstig beschaamd met haar poging om hun zoon [de minderjarige] het leven te ontnemen. Die gebeurtenis heeft zowel [de minderjarige] als de man beschadigd. Bij [de minderjarige] is daardoor sprake van mentale problematiek, waarvoor hij binnenkort zal starten met behandeling bij het traumacentrum. Ook de man is door de gebeurtenis psychisch beschadigd. De rechtbank heeft op de zitting waargenomen dat het voor hem heel moeilijk is om met deze situatie om te gaan. Zijn hele wereld staat door de handelwijze van de vrouw op zijn kop. Ongeacht de vraag of de vrouw ten tijde van de gebeurtenis van 5 februari 2022 mogelijk niet of verminderd toerekeningsvatbaar is geweest, kwalificeren haar gedragingen wel als zodanige gedragingen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is van de man te verlangen dat hij in het levensonderhoud van de vrouw bijdraagt. De rechtbank zal het partneralimentatieverzoek van de vrouw daarom afwijzen.
Verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en exhibitieplicht
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 5 van de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 betreffende de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (HuwvermVo) is de Nederlandse rechter bevoegd om van dit verzoek kennis te nemen, omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft inzake het echtscheidingsverzoek.
Partijen zijn op [datum] 1999 gehuwd in [plaats 1] , zonder voorafgaand aan hun huwelijk een rechtskeuze te hebben gemaakt en/of huwelijkse voorwaarden te hebben opgesteld. Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 4 lid 2 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 is vanaf de huwelijkssluiting daarom Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime van toepassing. Omdat partijen op
28 oktober 2009 naar Zuid-Afrika zijn verhuisd, de vrouw vanaf 2022 en de man sinds
8 juni 2023 weer in Nederland zijn ingeschreven, is op grond van artikel 7 van dit verdrag vanaf 28 oktober 2019 t/m 7 juni 2023 Zuid-Afrikaans recht van toepassing en vanaf 8 juni 2023 weer Nederlands recht.
Ter zitting hebben partijen bevestigd dat zij geen goederen hebben verkregen ná 28 oktober 2019 waarvoor dan het huwelijksvermogensrecht van Zuid-Afrika zou gelden. De rechtbank beperkt zich daarom tot de eerste periode waarvoor Nederlands recht geldt. Op dat moment was sprake van een algehele gemeenschap van goederen.
Omvang
De vrouw heeft gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen in de per 11 augustus 2023 (de datum indiening verzoekschrift) ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vallen:
saldi op de bankrekeningen;
bedrijven in Nederland en Zuid-Afrika;
verkoop(opbrengst) van guesthouse Colors of Cape Town;
de inboedel in Zuid-Afrika.
Volgens de man is er geen positief vermogen meer. De twee guesthouses die partijen in Zuid-Afrika hadden, leverden geen geld op, mede vanwege de corona crisis.
Beoordeling
Beide panden en de zich daarin bevindende inboedel zijn voor de peildatum verkocht en de opbrengst was niet genoeg om de schulden af te betalen. Volgens de man zijn er alleen nog schulden, waarvoor partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn. De man is geen aandeelhouder geweest van de andere bedrijven die de vrouw heeft genoemd. Hij is daar destijds slechts als directeur in dienst geweest.
De vrouw betwist niet dat er schulden zijn, onder meer ook vanwege leningen van haar familie, maar kan niet uitsluiten dat er ook baten zijn waar zij geen zicht op heeft. De vrouw vermoedt dat de man toch aandelen heeft in bedrijven waarvan hij bestuurder is geweest. De vrouw is in Zuid-Afrika een discovery procedure naar de bezittingen en schulden van de man gestart. De vrouw verzoekt op grond van artikel 843a Rv informatie en inzage terzake alle bezittingen en schulden van partijen genoemd in producties 23 en 26 t/m 29 van de vrouw.
Oordeel van de rechtbank
Op de zitting is gebleken dat partijen hun guesthouses hadden ondergebracht in afzonderlijke rechtspersonen in Zuid-Afrika en dat de aandelen werden gehouden door de man en de vrouw gezamenlijk (ieder 50%). De panden zijn inmiddels verkocht en de rechtspersonen naar Afrikaans recht, waarover de rechtbank geen informatie heeft, bestaan kennelijk nog, maar bevatten volgens de man uitsluitend schulden. De vrouw heeft in Zuid-Afrika een discovery procedure gevoerd, maar die procedure heeft kennelijk niets opgeleverd.
De rechtbank stelt voorop dat een deel van de door de vrouw genoemde bestanddelen waarvan zij verdeling vordert, namelijk de guesthouses en inboedel, toebehoorden aan rechtspersonen naar Zuid-Afrikaans recht. Deze vielen dus niet rechtstreeks in de huwelijksgemeenschap en komen daarmee niet voor verdeling in aanmerking. Wat betreft de overige door de vrouw genoemde vermogensbestanddelen, kan de rechtbank niet vaststellen dat deze er (nog) zijn en dus nog tot de te verdelen ontbonden huwelijksgemeenschap behoren.
De rechtbank begrijpt dat de vrouw aanhouding van het verdelingsverzoek wenst opdat zij na toewijzing van haar verzoek op grond van artikel 843a Rv, haar verzoek nader kan onderbouwen. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding omdat het verzoek op grond van artikel 843a Rv wordt afgewezen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Op grond van artikel 843a lid 1 Rv kan degene die daarbij rechtmatig belang heeft op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is, van degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. De verlangde stukken moeten echter wel voldoende concreet zijn en aangegeven moet worden dat en waarom de specifieke stukken van belang zijn, zulks teneinde een "fishing expedition" te voorkomen. Artikel 843a Rv dient er niet toe om stukken op te vragen waarvan slechts het vermoeden bestaat dat die mogelijk in de procedure van pas zouden kunnen komen.
Het had op de weg van de vrouw gelegen om specifiek aan te geven welke stukken zij van de man wenste te ontvangen en waarom zij daar belang bij heeft. Dat heeft de vrouw nagelaten. Bovendien heeft zij niet aangevoerd waarom zij niet over een bepaald stuk kan beschikken en de man wèl. De rechtbank kan immers niet zonder meer aannemen dat de man over alle stukken betreffende de Zuid-Afrikaanse rechtspersonen en andere vermogensbestanddelen van partijen kan beschikken. De man is naar Nederland gekomen met het idee dat dat tijdelijk zou zijn. Door toedoen van de vrouw kan hij niet naar Zuid-Afrika terugkeren omdat hij op de “V-list/ No Entry List” staat. Dat de man over stukken kan beschikken waar de vrouw geen toegang toe zou kunnen krijgen, is door de rechtbank dan ook niet vast te stellen. Bovendien heeft de vrouw aangegeven reeds een discovery procedure in Zuid-Afrika te hebben gevoerd, die niets heeft opgeleverd. De vrouw heeft niet nader toegelicht welke stukken in de onderhavige procedure dan wel boven water zouden moeten kunnen komen.
Het vorenstaande betekent dat zowel de verzoeken van de vrouw tot vaststelling van de verdeling als haar verzoek tot nakoming van de exhibitieplicht, worden afgewezen.
Ten overvloede wijst de rechtbank op het volgende. De rechtbank heeft op basis van de stukken die partijen in deze procedure hebben overgelegd en de stellingen die zij hebben betrokken, geen aanwijzingen dat de man vermogensbestanddelen voor de vrouw verborgen houdt. Mocht op een later moment toch aan het licht komen dat dat wel het geval is, dan kan de vrouw een beroep doen op artikel 3:194 lid 2 BW. Als een deelgenoot opzettelijk een tot de gemeenschap behorend goed (waaronder vermogen op zijn naam in het buitenland) verzwijgt of verborgen houdt, dan verbeurt hij zijn aandeel in dat goed aan de andere deelgenoot.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.