Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-14
ECLI:NL:RBDHA:2024:23576
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,426 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7234
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 14 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] (België), eiser
(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen
de intrekking van het aan hem verleende Nederlanderschap.
1.1.
Verweerder heeft het Nederlanderschap van eiser bij besluit van 17 juni 2020 (het primaire besluit) ingetrokken, omdat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen en/of misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Bij besluit van 17 januari 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep en het aanvullend beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 14 november 2024 behandeld. Hieraan hebben eiser en de tolk telefonisch deelgenomen. Eisers gemachtigde en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
2. In deze zaak is tijdens het beroep gebleken dat eiser op 5 april 2022 vrijwillig de Belgische nationaliteit heeft verkregen. Verweerder heeft in zijn brief van 1 november 2024 laten weten dat dit betekent dat eiser de Nederlandse nationaliteit op 5 april 2022 van rechtswege is verloren. Het verlies van het Nederlanderschap vanwege het aannemen van de Belgische nationaliteit heeft de intrekking van het Nederlanderschap vanwege de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag doorkruist.
Procesbelang
3. De rechtbank moet eerst de vraag beantwoorden of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Als eiser geen procesbelang heeft, dan beoordeelt de rechtbank het beroep niet inhoudelijk.
3.1.
Procesbelang is het belang dat bij de uitkomst van een procedure moet bestaan. Daarbij gaat het erom of het doel dat belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de inhoudelijke behandeling van zijn beroep, nu hij de Nederlandse nationaliteit op 5 april 2022 van rechtswege is verloren. Dat verweerder voornemens is om eiser ongewenst te verklaren maakt dat niet anders. Eiser kan immers met deze procedure zijn Nederlandse nationaliteit niet meer terugkrijgen. Wel zal in die procedure inhoudelijk worden getoetst aan artikel 1 F van het Vluchtelingenverdrag. Dit heeft verweerder ter zitting bevestigd.
4. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzitter, en mrs. M.D. Gunster en C.E.S. Clerx als leden, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken 14 november 2024.
griffier voorzitter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het Verdrag van Genève van 1951 (Trb. 1954, 88) betreffende de status van vluchtelingen, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
Gelet op artikel 15, eerste lid, onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:156 en van 22 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2128.