Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:23546
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,603 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2551
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: drs. J.M. Sidler).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om naturalisatie.
1.1.
Verweerder heeft het verzoek met het besluit van 16 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 januari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.Ghanmi als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Eiser is staatloos. Op 4 juni 2023 heeft eiser een verzoek om naturalisatie ingediend. Verweerder heeft het verzoek afgewezen, omdat eiser bij vonnis van 23 november 2018 (onherroepelijk op 8 december 2018) is veroordeeld tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een jaar wegens mishandeling. Omdat de sanctie wegens het plegen van een misdrijf korter dan vijf jaar geleden ten uitvoer is gelegd, is de rehabilitatietermijn nog niet verstreken. Verweerder heeft daarom geconcludeerd dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde en heeft het verzoek van eiser om naturalisatie afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser voert aan dat in het beleid met betrekking tot de rehabilitatietermijn een onderscheid moet worden gemaakt naar de soort maatregel die is opgelegd en het daarmee te dienen doel. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het tegenwerpen van de rehabilitatietermijn in het geval van de aan eiser opgelegde maatregel van plaatsing in een psychiatrische ziekenhuis niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Verder doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel in die zin dat uit de zaak van [naam] is gebleken dat er ruimte is voor het verlenen van het Nederlanderschap, ook als niet aan alle voorwaarden is voldaan. Tot slot is de hoorplicht geschonden.
Wat zijn de regels?
Artikel 9, eerste lid onder a, RWN
4. Op deze zaak zijn de bepalingen van de RWN en de Handleiding voor de toepassing van de RWN (Handleiding) van toepassing. In artikel 9 van de RWN staat dat een verzoek om naturalisatie wordt afgewezen als er ernstige vermoedens bestaan dat iemand een gevaar vormt voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk.
5. Volgens de Handleiding wijst verweerder een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde af, indien in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop (de zogenoemde rehabilitatietermijn) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. In paragraaf 5.1 van het beleid voor artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, staat dat een ernstig vermoeden dat een vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, niet wordt gebaseerd op zomaar iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet wel voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen. Bovendien moet ook de sanctie die daarop is gevolgd, voldoende zwaar zijn.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Evenredigheidsbeginsel
6. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat het beleid in de Handleiding mag dienen als uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ernstige vermoedens dat de verzoeker gevaar oplevert voor de openbare orde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. Uit de Handleiding volgt dat hiervan sprake is als de misdraging voldoende ernstig is. Daarom neemt de staatssecretaris alleen misdrijven in aanmerking. Bovendien moet ook de sanctie voor dat misdrijf voldoende zwaar zijn. De staatssecretaris ziet een gevangenisstraf, ongeacht de duur daarvan, als een zware sanctie. Dit uitgangspunt vindt de Afdeling niet onredelijk.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het beleid onderscheid wordt gemaakt naar de soort maatregel die is opgelegd. De rehabilitatietermijn van vijf jaar geldt immers niet bij iedere maatregel, maar wel bij een vrijheidsbenemende straf of maatregel (onder meer gevangenisstraf en TBS). Het beroep van eiser op de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 30 augustus 2023 slaagt dan ook niet.
6.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiser, aan wie een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis als sanctie is opgelegd, geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verweerder heeft de maatregel terecht aangemerkt als strafrechtelijke sanctie, nu deze is opgelegd door een strafrechter vanwege een door eiser gepleegd misdrijf en verweerder mag ervan uitgaan dat de omstandigheden die hebben geleid tot het plegen van het misdrijf al door de strafrechter zijn meegenomen. De strafrechter heeft geoordeeld dat eiser ontoerekeningsvatbaar was en heeft zijn psychische staat ten tijde van het misdrijf dus al meegewogen bij het bepalen van de straf. Aan de omstandigheid dat eiser ten tijde van het plegen van het delict leed aan een psychische stoornis komt bij deze beoordeling dan ook geen zelfstandige betekenis meer toe. Uit de wettekst van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (zoals deze gold voor 1 januari 2020) volgt dat de maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis alleen wordt opgelegd aan degene die een gevaar is voor zichzelf, voor anderen, of voor de algemene veiligheid van personen of goederen. Deze maatregel beoogt het belang van de Nederlandse openbare orde te beschermen, wat eveneens het doel is van de gestelde rehabilitatietermijn. Verweerder heeft verder terecht opgemerkt dat het niet onmogelijk is voor eiser om in de toekomst alsnog te naturaliseren. Na afloop van de rehabilitatietermijn staat het eiser vrij om opnieuw een verzoek in te dienen.
Gelijkheidsbeginsel
7. Verder is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Uit het door eiser overgelegde artikel over de naturalisatie van [naam] kan op geen enkele wijze worden opgemaakt dat de situatie van eiser en [naam] vergelijkbaar zijn. Eiser heeft op zitting toegelicht dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel zo moet worden gelezen dat uit het artikel waarnaar is verwezen volgt dat [naam] op grond van artikel 10 RWN is genaturaliseerd, maar dat het niet duidelijk is op welke gronden die naturalisatie heeft plaatsgevonden. Dit komt willekeurig over. Verweerder heeft ter zitting toegelicht op welke gronden het naturalisatieverzoek van [naam] is toegewezen en dat er in dit geval, anders dan in de zaak van [naam] , sprake is van een contra-indicatie, namelijk dat eiser nog in zijn rehabilitatietermijn zit. Daarnaast biedt artikel 10 RWN geen mogelijkheid om af te wijken van hetgeen is bepaald in artikel 9, eerste lid onder a van de RWN.
Hoorplicht
8. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de hoorplicht niet is geschonden. Van het horen mag worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Gelet op de motivering van het primaire besluit en de inhoud van de gronden in het bezwaarschrift, mocht verweerder afzien van het horen van eiser.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het verzoek van eiser terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (oud)
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 30 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3296.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1944.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2016 , ECLI:NL:RVS:2016:2322, onder 3.2.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1826
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918,
Zie ook artikel 7:2 en 7:3 van de Awb.