Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-29
ECLI:NL:RBDHA:2024:23531
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,416 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2158
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2024 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: V. Apaydin),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: A.C. Visser).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de oplegging van een last onder dwangsom vanwege onvergunde onzelfstandige bewoning.
1.1.
Verweerder heeft de last onder dwangsom bij besluit van 13 november 2023 (het primaire besluit) genomen. Met het bestreden besluit van 12 maart 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij (het primaire besluit) gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen informatie te sturen waaruit blijkt dat haar gemachtigde bevoegd is om haar te vertegenwoordigen. Eiseres heeft deze stukken dezelfde dag nog naar de rechtbank gestuurd. Verweerder heeft op 25 oktober 2024 op deze stukken gereageerd. Omdat partijen hadden laten weten geen behoefte te hebben aan een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek daarna gesloten.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is verhuurder van de woning aan de [adres] (hierna: de woning). Na een overlastmelding hebben inspecteurs van de Haagse Pandbrigade (hierna: de inspecteurs) de woning op 21 september 2023 gecontroleerd en geconstateerd dat in de woning vier personen wonen en dat sprake is van onvergunde onzelfstandige bewoning. Verweerder heeft eiseres daarop opgedragen om deze overtreding uiterlijk 1 april 2024 te beëindigen. Doet eiseres dit niet dan moet zij een dwangsom van € 5.000,- betalen. De inspecteur heeft op 22 februari 2024 een hercontrole uitgevoerd en geconstateerd dat de overtreding van onvergunde onzelfstandige bewoning inmiddels was beëindigd. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder de overtreding van onvergunde onzelfstandige bewoning voldoende aannemelijk heeft gemaakt en daarom aan eiseres een last onder dwangsom mocht opleggen.
Wat zijn de regels?
3. De toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Er was geen onvergunde onzelfstandige bewoning, want de vier bewoners (vader, moeder, dochter en haar echtgenoot) voerden een duurzaam gemeenschappelijk huishouden. Tussen de bewoners was er wederzijdse zorg, zij gebruikten de woonruimtes gemeenschappelijk en het huishouden is gedurende een periode van één jaar niet gewijzigd.
De dochter heeft tijdens de controle weliswaar verklaard dat zij en haar man vanwege haar zwangerschap op zoek waren naar een nieuwe woning, maar toch vormden de vier bewoners een duurzaam gemeenschappelijk huishouden. De dochter uitte namelijk niet meer dan een wens om ooit een andere woning te betrekken. Bovendien heeft verweerder zich schuldig gemaakt aan discriminatie door de zwangerschap van de dochter op deze wijze in de besluitvorming te betrekken.
Dat de huurovereenkomst niet door alle bewoners was ondertekend, is ook niet van belang voor de vraag of er een duurzaam gemeenschappelijk huishouden was. De vader en de echtgenoot hebben de huurovereenkomst namelijk ondertekend. Daarmee zijn de moeder en de dochter van rechtswege medehuurders.
Verder is niet relevant dat de moeder en de dochter zich een jaar later dan de vader en de echtgenoot van de dochter in de woning hebben ingeschreven. Feit is namelijk dat het huishouden op het moment van de eerste controle al één jaar niet van samenstelling was gewijzigd. Verweerder heeft op dit onderdeel ten onrechte ex nunc beoordeeld.
Tot slot mocht verweerder de bevindingen van de hercontrole op 22 februari 2024 niet als bewijs gebruiken, omdat die controle volgens het primaire besluit pas op 1 april 2024 zou zijn. Bovendien was tijdens deze controle alleen de zoon van de huurders in de woning aanwezig en hij was niet volledig en juist geïnformeerd over het doel van het huisbezoek.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de woning werd gebruikt voor onzelfstandige bewoning door meer dan drie personen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
5.1.
Als drie of meer bewoners een duurzaam gemeenschappelijke huishouding (willen) voeren, dan geldt dat niet als onzelfstandige bewoning. Voor de definitie van een duurzaam gemeenschappelijke huishouding moet worden gekeken naar de Huisvestingsverordening. Deze definieert een duurzaam gemeenschappelijke huishouden als een vaste groep personen tussen wie een band bestaat die het enkel gezamenlijk bewonen van bepaalde woonruimte te boven gaat en die de bedoeling heeft om bestendig voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen. Ook moet tussen deze personen een samenlevingswens bestaan die niet overwegend wordt bepaald door de beslissing om de betrokken woonruimte te delen.
5.2.
Verweerder heeft terecht vastgesteld dat de bewoners van de woning geen duurzaam gemeenschappelijke huishouden vormden. Uit het inspectierapport van de inspectie op 21 september 2023 volgt namelijk dat de moeder tijdens de controle heeft verklaard: “(…) Mijn dochter is zwanger en zij is op zoek naar een andere woning. Deze woning is te klein. Binnenkort komt mijn zoon ook over vanuit Bulgarije.” (sic). De dochter heeft, in antwoord op de vraag of ze van plan is om voor altijd bij haar ouders te blijven wonen, verklaard: “Nee, ik ben momenteel zwanger en deze woning is te klein. Mijn man en ik zijn wel verder aan het kijken. Hopelijk vinden wij z.s.m. een andere woning.” Verweerder mocht uit deze verklaringen de conclusie trekken dat de reden om de woonruimte te delen alleen daarin was gelegen en dat de vier bewoners niet de bedoeling hadden om bestendig voor onbepaalde tijd samen te wonen. Daar komt bij dat de vader tijdens de hercontrole op 22 februari 2024 heeft verklaard dat hij heeft gewacht met het aanvragen van een huisvestingsvergunning totdat de dochter en haar echtgenoot, die toen al niet meer in de woning woonden, waren uitgeschreven uit de woning. Het feit dat de vader heeft gewacht met het aanvragen van de huisvestingsvergunning laat zien dat de vier bewoners niet de bedoeling hadden om bestendig voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen.
Dat de bewoners familie zijn van elkaar, dat zij voor elkaar zorgden, dat de woonruimtes gemeenschappelijk werden gebruikt, dat feitelijk alle bewoners partij waren bij de huurovereenkomst en dat het huishouden op het moment van de eerste controle gedurende één jaar niet was gewijzigd, leidt niet tot een ander oordeel. De intentie die bewoners hebben om langdurig samen te blijven wonen is volgens vaste rechtspraak namelijk een zwaarwegend criterium bij de beoordeling of sprake is van een duurzaam gemeenschappelijke huishouden.
De rechtbank overweegt verder dat niet is gebleken dat verweerder de zwangerschap van de dochter als zodanig aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Eiseres heeft dit verder ook niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Van discriminatie is in dit geval dan ook geen sprake.
Het betoog van eiseres dat verweerder de bevindingen van de hercontrole van 22 februari 2024 niet als bewijs mocht gebruiken, slaagt ook niet. Hoewel in het primaire besluit staat dat een controlebezoek pas op 1 april 2024 of later zou plaatsvinden, blijft verweerder bevoegd om op basis van een melding de woning alsnog op een eerder moment te controleren. Daarbij heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij hierdoor in haar belangen is geschaad. Verder staat in het bezoekverslag van de hercontrole duidelijk vermeld dat de inspecteur de op dat moment in de woning aanwezige zoon de cautie heeft gegeven. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen.
6. Verweerder heeft de onzelfstandige bewoning dus op goede gronden vastgesteld. Uit dat wat eiseres naar voren heeft gebracht is de rechtbank niet gebleken dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van de overtreding en dat verweerder om die reden had moeten afzien van boeteoplegging. Verder is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die de hoogte van de last onder dwangsom onevenredig zou maken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de last onder dwangsom van € 5.000,- aan eiseres mocht opleggen.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit, en daarmee de last onder dwangsom, overeind blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Huisvestingswet 2014
Artikel 21
1. Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie woonruimte en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen gebied, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:
(…)
c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden;
(…)
Huisvestingsverordening Den Haag 2023
Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
duurzaam gemeenschappelijke
huishouding: een vaste groep van personen tussen wie een band bestaat die het enkel gezamenlijk bewonen van bepaalde woonruimte te boven gaat en die de bedoeling heeft om bestendig voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen. Er dient ook sprake te zijn van een samenlevingswens tussen de personen die niet overwegend wordt bepaald door de beslissing om de betrokken woonruimte te delen;
huishouden: een alleenstaande óf twee of meer personen die een duurzaam gemeenschappelijke huishouding (willen) voeren;
onzelfstandige woonruimte: woonruimte die geen eigen toegang heeft en niet door een huishouden kan worden bewoond zonder wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;
zelfstandige woonruimte: zoals omschreven in artikel 234 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 5:1 Woonruimten met een vergunningplicht voor onttrekking, omzetting of woningvorming
1. Artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 is van toepassing op alle zelfstandige woonruimten behorend tot een gebouw gelegen in alle wijken van Den Haag.
(…)
Artikel 5:2 Vergunningplicht onttrekking, omzetting of woningvorming
De in artikel 5:1 genoemde woonruimten mogen niet zonder vergunning:
(…)
b. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte voor drie of meer personen worden omgezet; (…)
Op grond van artikel 21, eerste lid en onder c van de Huisvestingswet 2014 in samenhang met artikel 5:2, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (Huisvestingsverordening).
Eiseres wijst op https://www.denhaag.nl/nl/vergunningen-en-ontheffingen/wat-is-een-duurzaam-gemeenschappelijk-huishouden/.
Eiseres wijst op artikel 8 van de Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM).
Eiseres verwijst naar artikel 7:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:1 van de Huisvestingsverordening.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2332.