Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:23529
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,342 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3659
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: G.A.M. van Geel),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: U. Kelly).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het op haar kosten wegslepen en opslaan van haar voertuig.
1.1.
Met het besluit van 18 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten om het voertuig van eiseres weg te slepen en op te slaan, en om de kosten daarvan op haar te verhalen. Met het bestreden besluit van 6 maart 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2024 op zitting behandeld. De gemachtigde van verweerder heeft hieraan deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde waren niet aanwezig.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen om binnen de termijn van een week na verzending van het proces-verbaal van de schorsing informatie te sturen waaruit blijkt dat haar gemachtigde bevoegd is om haar te vertegenwoordigen. Binnen deze termijn heeft de rechtbank geen reactie van eiseres ontvangen. Op 5 november 2024 heeft de rechtbank het proces-verbaal van schorsing nogmaals aan eiseres gestuurd, zowel per aangetekende post als per e-mail, en haar opnieuw in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van een week een toereikende machtiging te overleggen. Ook hierop heeft de rechtbank geen reactie ontvangen. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten, omdat verweerder op de zitting had laten weten geen behoefte te hebben aan een nadere zitting en omdat de rechtbank uit de hiervoor omschreven handelwijze van eiseres afleidt dat ook zij geen behoefte heeft aan een nadere zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank moet allereerst de vraag beantwoorden of het beroep ontvankelijk is. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, moet de rechtbank beoordelen of verweerder het voertuig van eiseres op goede gronden heeft weggesleept.
2.1.
Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Als dat niet gebeurt, is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom er geen machtiging is ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.
2.2.
De rechtbank stelt vast dat Van Geel geen toereikende machtiging heeft overgelegd. Uit de machtiging volgt namelijk dat [naam] Van Geel heeft gemachtigd om hem bij de behandeling van het beroep te vertegenwoordigen. Uit deze machtiging blijkt echter niet dat [naam] hierbij optreedt namens eiseres. Ook blijkt niet dat [naam] bevoegd is om eiseres naar buiten toe te vertegenwoordigen. Zoals hiervoor onder punt 1.4 omschreven, heeft de rechtbank eiseres in de gelegenheid gesteld om een toereikende machtiging te overleggen. Daarbij is eiseres gewezen op het risico dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard als zij het verzuim niet tijdig herstelt.
2.3.
Eiseres heeft het verzuim niet hersteld. Niet is gebleken van een verontschuldiging voor het ontbreken van een toereikende machtiging. Eiseres heeft dus onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Van Geel bevoegdelijk beroep heeft ingesteld.
Conclusie
3. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht.